Verdachte, voormalig advocaat en Advocaat-Generaal bij het Openbaar Ministerie, wordt onder meer belastingfraude tenlastegelegd.

De Rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude door enkele jaren inkomsten die hij als advocaat had genoten niet op te geven in zijn aangiften inkomstenbelasting. Deze bedragen stonden op een Luxemburgse bankrekening, welke niet bij de Belastingdienst bekend was. Hoewel verdachte op enig moment uit eigener beweging bij de Belastingdienst heeft gemeld dat eerder genoten inkomsten niet zijn opgegeven, heeft hij in het traject dat daarop volgde geen volledige openheid van zaken gegeven.

Het totale bedrag dat verdachte niet heeft opgegeven in zijn aangiften bedraagt bijna € 250.000. De verdachte was ten tijde van het onderzoek dat volgde op zijn melding bij de Belastingdienst werkzaam als Advocaat-Generaal bij het Openbaar Ministerie en belast met de behandeling van fraudezaken. Naar het oordeel van de Rechtbank rustte – gelet op het ambt dat hij toen bekleedde – op hem een bijzondere verantwoordelijkheid om de fiscale afrekening over inkomsten die hij vóór die tijd als advocaat had genoten volledig open en transparant te laten verlopen. Verdachte heeft het onderzoek naar zijn inkomsten echter gefrustreerd door onjuiste en onvolledige informatie en stukken te verstrekken. Op deze wijze werd het voor de Belastingdienst pas in een laat stadium van het onderzoek duidelijk dat er een Luxemburgse bankrekening was, waarop méér betalingen waren gedaan dan waarover verdachte zelf had verklaard.

Tegelijkertijd is de Rechtbank zich ervan bewust dat de kwestie van zeer grote invloed is geweest op het persoonlijk leven van verdachte. Er zijn ingrijpende opsporingsmethoden ingezet en verdachte is ook oneervol ontslagen uit de functie van Advocaat-Generaal. Zijn mogelijkheden om opnieuw als jurist aan het werk te gaan, zijn zeer beperkt. Ook heeft de zaak veel aandacht gehad in de media. Anderzijds is de Rechtbank van oordeel dat verdachte zelf verantwoordelijk is voor deze verstrekkende gevolgen van zijn keuzes.

Toch hecht de Rechtbank bij de strafoplegging veel belang aan de hiervoor geschetste gevolgen die de verdachte als gevolg van deze kwestie heeft ondervonden. De Rechtbank weegt daarbij mee dat de zaak met een bestuurlijke boete zou zijn afgedaan als verdachte vanaf het begin open kaart had gespeeld. Niettemin acht ook de Rechtbank oplegging van enige straf nog passend, met name vanwege de naast belastingfraude bewezenverklaarde feiten. Nu de verdachte voorts niet te kennen heeft gegeven dat hij anders had moeten handelen, kan de Rechtbank enig risico op herhaling niet uitsluiten. De Rechtbank legt aan verdachte een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf op van 6 maanden.

Rechtbank Den Haag 27 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:6973

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:6973