Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting van nihil opgelegd. Hierbij is uitgegaan van een inkomen van werk en woning van € 20.000, verrekening van een verlies uit werken woning van € 20.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.234. Bij beschikking is een verzuimboete van € 369 opgelegd.

In geschil zijn de juistheid van de aanslag, de beschikking verliesverrekening en de verzuimboete.

De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende met betrekking tot de aanslag, en naar het Hof begrijpt, met betrekking tot de beschikking verliesverrekening niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang. De aanslag blijft na de uitspraak op bezwaar nihil en de verliesverrekening is bij de uitspraak op bezwaar ongedaan gemaakt. Een ander belang bij de beoordeling van de aanslag en beschikking verliesverrekening, waardoor belanghebbende in een betere positie zou kunnen komen, is niet gesteld of gebleken. Het Hof acht het oordeel van de Rechtbank dat belanghebbende niet-ontvankelijk is in zijn beroep met betrekking tot de aanslag en de beschikking verliesverrekening juist en sluit zich daarbij aan. Dat betekent dat het Hof de aanslag en de beschikking niet inhoudelijk zal beoordelen.

Met betrekking tot de verzuimboete heeft belanghebbende in hoger beroep aangevoerd dat hij door de zelfmoord van zijn broer in januari 2016 dermate van slag was dat hij niet meer adequaat kon handelen. De inspecteur heeft hierin ter zitting aanleiding gezien de verzuimboete te verminderen tot € 50. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende onvoldoende gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Gelet op het voorgaande zal het Hof de boete verminderen tot € 50. De resterende boete van € 50 acht het Hof passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:2051