In dit lezenswaardige arrest bevestigt de Hoge Raad het oordeel van het hof dat het anti-misbruikartikel van het Belastingverdrag Nederland-Malta van toepassing is en dat de door X BV behaalde vermogenswinsten in Nederland belastbaar zijn. Gevolg: de door X BV behaalde vermogenswinsten zijn in Nederland belastbaar, ondanks de verplaatsing van haar werkelijke leiding naar Malta.

X BV is een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap die leningen verstrekt en beleggingen houdt. Sinds 2004 heeft zij een vaste inrichting in Zwitserland. Met de inspecteur is overeengekomen dat de winst over de jaren 2004 tot en met 2011 volledig aan deze vaste inrichting wordt toegerekend, waarvoor een vrijstelling van vennootschapsbelasting wordt verleend.

In 2011 verplaatst X BV haar werkelijke leiding naar Malta, aldaar kwalificeert de BV als ‘non‑domiciled’ vennootschap. Zij behaalt vermogenswinsten en commissies uit een in Zwitserland gelegen bron van inkomen, waarvan slechts de commissies gedeeltelijk naar Malta worden overgemaakt (‘remitted’). Over de naar Malta overgemaakte winsten heft Malta 35% vennootschapsbelasting, gevolgd door een substantiële teruggaaf op basis van de Maltese Income Tax Act, zodat effectief sprake is van een zeer lage belastingdruk. Naar aanleiding van een boekenonderzoek in 2018 legt de inspecteur echter navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting op over de jaren 2012 tot en met 2014. In geschil is of Nederland mag heffen over de vermogenswinsten, nu Malta (nagenoeg) geen belasting heft, of dat artikel 30 van het verdrag Nederland–Malta hieraan in de weg staat.

Rechtbank Noord-Holland en Hof Amsterdam oordelen dat X BV inwoner is van Malta, maar dat Nederland mag heffen. Het hof kwalificeert de Maltese objectvrijstelling voor niet-Maltese vermogenswinsten als een ‘bijzondere regeling’ in de zin van artikel 30 van het verdrag. Deze regeling zorgt er immers voor dat de winsten in Malta vrijwel buiten de heffing blijven. Op grond van het anti-misbruikartikel behoudt Nederland daarom het heffingsrecht en zijn de navorderingsaanslagen daarom terecht opgelegd, ondanks de vestigingsplaats in Malta.

De bV komt in cassatie op tegen dit oordeel en stelt onder meer dat geen sprake is van een ‘bijzondere regeling’ in de zin van het verdrag.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat artikel 30 Belastingverdrag Nederland-Malta van toepassing is en dat de door de BV behaalde vermogenswinsten in Nederland aan belastingheffing zijn onderworpen. De objectvrijstelling waarvoor X BV als non-domiciled vennootschap ter zake van de niet-Maltese vermogenswinsten op grond van artikel 4 lid 1 onder ii Maltese Income Tax Act in aanmerking is gekomen, moet namelijk worden aangemerkt als een ‘bijzondere regeling’ als bedoeld in artikel 30 Belastingverdrag Nederland-Malta. De Hoge Raad verwijst daarbij naar zijn arrest van 17 oktober 2025 (22/00855, ECLI:NL:HR:2025:1568, V-N 2025/46.10).  Daarin is geoordeeld dat het verdrag met Malta zowel een remittance‑bepaling bevat om heffingsvacuüm te voorkomen als een antimisbruikbepaling voor bijzondere regelingen, en dat deze bepalingen elkaar niet doorkruisen. Daarmee staat vast dat de Maltese objectvrijstelling een bijzondere regeling is en dat Nederland de in Nederland behaalde vermogenswinsten van de Maltese non‑domiciled BV in de vennootschapsbelasting mag betrekken. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond.

Dit arrest bevestigt dat Nederland een stevig vangnet heeft tegen structuren die gebruikmaken van non-dom regimes. Een afwijkend buitenlandse heffingsregime kan onder het anti-misbruikartikel worden gebracht. Daarmee roept het ook vragen op: hoe ver reikt het begrip ‘bijzondere regeling’? De Hoge Raad lijkt dit ruim uit te leggen. Dat biedt zoals gezegd een vangnet voor de fiscus, maar creëert onzekerheid voor belastingplichtigen die menen binnen de grenzen van het verdrag te opereren.

ECLI:NL:HR:2025:1735