In deze uitspraak bevestigt de rechtbank Gelderland dat de Belastingdienst terecht een navorderingsaanslag en vergrijpboete heeft opgelegd aan een belastingplichtige wegens het verzwegen buitenlandse vermogen bij een Luxemburgse bank. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur geen informatiebeschikking hoefde te geven voordat hij zich tot de Luxemburgse autoriteiten wendde, dat de bewijslast terecht is omgekeerd en verzwaard en dat de boete grotendeels in stand blijft, zij het met een matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Belanghebbende en haar echtgenoot hadden jarenlang bank- en effectenrekeningen bij een Luxemburgse bank, met tegoeden oplopend tot ruim € 500.000. De inspecteur ontving in 2016 via een internationale gegevensuitwisseling informatie over deze rekeningen. Belanghebbende werd verzocht een verklaring over buitenlands vermogen in te vullen, maar voldeed hier niet aan. Vervolgens werd een navorderingsaanslag IB/PVV 2007 opgelegd, inclusief heffingsrente en een vergrijpboete van € 5.370.

Op basis van deze informatie schatte de inspecteur het buitenlandse vermogen van de belastingplichtige en haar echtgenoot op € 935.000 per 1 januari 2007 en € 855.000 per 31 december 2007. De helft van deze bedragen werd toegerekend aan de belastingplichtige, wat leidde tot een correctie van de rendementsgrondslag en een navorderingsaanslag IB/PVV 2007. Daarbij werd ook een vergrijpboete van € 5.370 opgelegd.

De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het uitputtingsbeginsel heeft geschonden door zich tot Luxemburg te wenden zonder eerst een informatiebeschikking te geven. De rechtbank oordeelt dat dit niet vereist was; de inspecteur had zich al tot de belastingplichtige gewend en het verkrijgen van bewijs via Luxemburg was niet onrechtmatig. Er is dus geen reden om het bewijs uit te sluiten.

Omdat de belastingplichtige geen aangifte IB/PVV 2007 heeft gedaan, wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. De belastingplichtige moet overtuigend aantonen dat de aanslag onjuist is, maar slaagt daar niet in. De vermogenscorrectie wordt als redelijk beschouwd en is gebaseerd op feitelijke gegevens van de bank. Ook het beroep op het EVRM faalt, omdat de betreffende bepalingen pas vanaf 2013 relevant zijn.

Wat betreft de boete oordeelt de rechtbank dat de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat sprake is van opzet. De belastingplichtige heeft willens en wetens vermogen verzwegen en geen medewerking verleend. De boete van 100% is passend, maar wordt ambtshalve met 20% verminderd tot € 4.296 vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van 68 maanden sinds de aankondiging van de boete.

De rechtbank kent daarnaast een immateriële schadevergoeding toe van € 3.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn met 41 maanden. Hiervan betaalt de inspecteur € 854 en de Staat € 2.646. Ook worden de proceskosten en het griffierecht deels vergoed.

Tot slot verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, behoudens de boetebeschikking die wordt verminderd. Het beroep is ongegrond. De navorderingsaanslag en heffingsrentebeschikking blijven in stand. De boete wordt verminderd tot € 4.296. De inspecteur en de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten.

Rechtbank Gelderland 7 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5311

Rechtbank Gelderland 7 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5312

ECLI:NL:RBGEL:2025:5312, Rechtbank Gelderland, ARN 21/3393

ECLI:NL:RBGEL:2025:5311, Rechtbank Gelderland, ARN 21/3398 en 21/3399