In deze uitspraak van de Rechtbank Noord‑Nederland staat de vraag centraal of promotionele prijzen die in een speelhal worden uitgekeerd, kunnen worden aangemerkt als aftrekbare prijzen bij de berekening van de bruto‑spelopbrengst van kansspelautomaten (art. 3 Wet KSB). Belanghebbende exploiteert kansspelautomaten in horeca en in een speelhal die door een verbonden beheervennootschap (speelhalvennootschap) wordt gedreven. Belanghebbende brengt in haar aangiften de waarde van prijzen van diverse promotionele acties in mindering op de ontvangen inzetten. De inspecteur volgt dit niet, legt een forse naheffingsaanslag op na een boekenonderzoek bij zowel belanghebbende als de speelhalvennootschap en verminderd deze in bezwaar slechts gedeeltelijk. De rechtbank komt uiteindelijk tot een aanzienlijke vermindering van de aanslag en vernietigt de opgelegde bestuurlijke boete. De twee meest relevante onderdelen van deze uitspraak zijn het slagen van het beroep op het vertrouwensbeginsel en het oordeel dat sprake was van een pleitbaar standpunt, zodat een verzuimboete niet in stand kan blijven.
De rechtbank begint haar inhoudelijke beoordeling met de vraag in hoeverre promotionele prijzen als “prijzen” in de zin van art. 3 Wet KSB kunnen worden beschouwd. Daarbij maakt de rechtbank een onderscheid tussen prijzen die uit het kansspelautomatenspel zelf aan de deelnemer toevallen en prijzen die uitsluitend voortkomen uit een bijkomend promotioneel spel. Dat eerste is voorbehouden aan goederen of geldbedragen die het rechtstreekse of niet‑rechtstreekse gevolg zijn van het spelproces op de automaat. Veel van de promoties in deze zaak — het 21‑spel, de entreeloterij en de bingospelavonden — staan daarvan te ver af. Deelname stond immers niet in relevante mate onder invloed van het spelproces zelf: bezoekers konden aan het 21‑spel en de entreeloterij deelnemen zonder te spelen en de bingokaarten betroffen een vaste beloning voor deelname aan het automaatspel, maar niet een prijs die werd gewonnen door het spelproces zelf. Dat past bij de beperkte definitie van het prijsbegrip in art. 3, tweede lid Wet KSB, dat eist dat het goed aan deelnemers toevallen “uit hoofde van diens deelneming” aan het kansspelautomatenspel.
Het genuanceerde deel van de uitspraak betreft de jackpotloterij. De rechtbank oordeelt dat niet de uiteindelijke prijzen (auto’s, reizen) als aftrekbare prijzen kwalificeren, maar wél de loten die uitsluitend werden verstrekt op het moment dat een speler de jackpot op een automaat won. Dat lot is wél een prijs die rechtstreeks voortvloeit uit het spelproces, omdat het alleen wordt ontvangen bij het vallen van een jackpot en daarmee afhankelijk is van een onvoorspelbare gebeurtenis binnen het kansspelautomatenspel.
Ten aanzien van het vertrouwensbeginsel stelt de rechtbank vast dat de inspecteur bij eiseres een boekenonderzoek heeft ingesteld dat uitdrukkelijk zag op de aangiften kansspelbelasting over 2013–2016. De inspecteur beschikte daarbij over beide administraties (de horeca‑automaten en de speelhal). Het controle-rapport bevat geen enkel voorbehoud ten aanzien van de reikwijdte van het onderzoek voor de kansspelbelasting, terwijl een dergelijk voorbehoud bij andere belastingmiddelen wel is gemaakt. Omdat de vergunninghouder in de zin van de Wet KSB voor alle automaten belastingplichtig is en belanghebbende dan ook terecht één gecombineerde aangifte deed, mocht zij redelijkerwijs aannemen dat ook de speelhaladministratie volledig was beoordeeld. De enkele omstandigheid dat bij de gelieerde vennootschap een separaat boekenonderzoek liep, maakt dit niet anders. De rechtbank past hiermee de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad toe dat een belastingplichtige vertrouwen kan ontlenen aan een controle indien de inspecteur een indruk heeft gewekt dat het relevante onderdeel is beoordeeld, ongeacht of de inspecteur dat daadwerkelijk heeft gedaan. Het is volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende had moeten begrijpen dat een deel van de aangifte niet was onderzocht, gelet op het ontbreken van een expliciet voorbehoud en gelet op de omvang en aard van de administraties. De naheffingsaanslag voor 2014–2016 vervalt daarom volledig.
Daarnaast komt de rechtbank tot vernietiging van de boete wegens een pleitbaar standpunt. Opvallend is dat de rechtbank hiervoor relatief brede grondslag aanlegt. De wettelijke regeling en de wetsgeschiedenis bieden weinig concrete handvatten voor promotionele spelconcepten rondom kansspelautomaten. De inspecteur had in bezwaar zijn eigen eerdere standpunt herzien en niet consistent gehandeld in de beoordeling van jackpotprijzen. De toelichting in het aangiftebiljet bood bovendien geen scherp onderscheid tussen ter beschikking gestelde prijzen in de zin van art. 3 Wet KSB en andere vergoedingen. De rechtbank overweegt in zoverre dat als de materie feitelijk en juridisch complex is en als de inspecteur zelf van inzicht moet veranderen, een belastingplichtige moeilijk kan worden verweten dat hij bij het doen van aangifte van een andere, verdedigbare interpretatie uitgaat.
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:5624
