In een recent arrest zet de Hoge Raad een belangrijke en principiële stap in de afbakening van de reikwijdte van artikel 67f AWR bij btw‑fraudezaken met een grensoverschrijdend karakter. De kernvraag is of een leverancier die het nultarief voor intracommunautaire leveringen wordt geweigerd wegens betrokkenheid bij btw‑fraude in een andere lidstaat, ook kan worden beboet wegens het niet betalen van omzetbelasting in Nederland. De Hoge Raad beantwoordt die vraag ontkennend en komt daarbij expliciet terug van eerdere rechtspraak.

Belanghebbende handelde in tweedehands personenauto’s en paste het nultarief toe op intracommunautaire leveringen aan afnemers in andere lidstaten De auto’s zouden niet naar de opgegeven lidstaten zijn vervoerd, maar naar Duitsland, en belanghebbende zou die werkelijke bestemming bewust hebben verhuld door manipulatie van vervoersdocumenten. Naar aanleiding daarvan weigerde de inspecteur het nultarief en legde naheffingsaanslagen omzetbelasting op. Daarnaast zijn vergrijpboeten opgelegd op grond van artikel 67f AWR wegens het niet betalen van omzetbelasting op aangifte.

Hof Arnhem‑Leeuwarden oordeelt dat die boeten terecht zijn opgelegd. Volgens het hof had belanghebbende opzettelijk deelgenomen aan een frauduleuze structuur waardoor in andere lidstaten geen btw werd geheven en was daarmee het functioneren van het Unirechtelijk btw‑stelsel in gevaar gebracht. Met het handelen heeft belanghebbende opzettelijk bewijs gemanipuleerd en valse verklaringen gegeven en daarmee de bestemming van de auto’s verhuld. Dat achtte het hof voldoende om ook opzet in de zin van artikel 67f AWR aan te nemen.

De Hoge Raad zet een streep door dit oordeel en stelt voorop dat artikel 67f AWR uitsluitend ziet op het niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betalen van belasting die in Nederland op aangifte moet worden voldaan. Voor het aannemen van opzet of grove schuld moet het handelen van de belastingplichtige zijn gericht op het niet betalen van die Nederlandse belasting. Opzet die uitsluitend is gericht op het ontgaan van btw in een andere lidstaat, hoe ernstig ook, kan niet zonder meer worden gelijkgesteld met opzet om in Nederland te weinig omzetbelasting te betalen.

Van doorslaggevend belang is vervolgens dat in gevallen als het onderhavige aan alle materiële voorwaarden voor toepassing van het nultarief was voldaan. Op grond van de Wet op de omzetbelasting was daarom oorspronkelijk geen Nederlandse omzetbelasting verschuldigd. De latere naheffing berust uitsluitend op het door de inspecteur – in lijn met de rechtspraak van het Hof van Justitie – wegens fraude of misbruik weigeren van het nultarief. Die richtlijnconforme correctie kan volgens de Hoge Raad wel een wettelijke grondslag hebben voor de heffing, maar kan niet worden doorgetrokken naar het boeterecht. De Hoge Raad maakt hier expliciet een onderscheid tussen naheffing als correctiemiddel en boete als strafsanctie.

In dit verband is bijzonder dat de Hoge Raad expliciet terugkomt van zijn eerdere rechtspraak, waarin was aangenomen dat in vergelijkbare situaties het beboetbare feit van artikel 67f AWR zich kon voordoen. Met deze koerswijziging brengt de Hoge Raad het boeterecht nadrukkelijker in lijn met het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel en met de autonomie van nationale sanctieregels ten opzichte van het btw‑heffingsrecht.

Het arrest heeft verstrekkende gevolgen voor de fiscale praktijk. Een beboetbaar feit kan op grond van artikel 67f AWR kan zich niet langer voordoen in gevallen waarin de naheffingsaanslag uitsluitend berust op het achteraf weigeren van het nultarief wegens betrokkenheid bij btw‑fraude in een andere lidstaat. Dat geldt zowel bij opzet als bij grove schuld. Daarmee wordt een duidelijke grens getrokken tussen het bestrijden van fraude via naheffing en het opleggen van punitieve sancties. De uitspraak onderstreept dat het bestrijden van btw‑fraude, hoe noodzakelijk ook, niet kan leiden tot een extensieve interpretatie van nationale boetebepalingen.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:279