De inspecteur heeft aan een onderneming in de vorm van een BV die accountants en belastingadviseurs begeleidde bij de koop, verkoop en fusies van kantoren naheffingsaanslagen OB alsmede een vergrijpboete opgelegd. Daarnaast is de inspecteur van mening dat de onderneming ten onrechte geen aangiften Vpb heeft gedaan en heeft derhalve navorderingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur de BTW-correcties uitvoerig heeft onderbouwd en daarmee het recht op vooraftrek gemotiveerd heeft betwist. De onderneming heeft ter onderbouwing verwezen naar de ordner waarvan de inhoud tot de gedingstukken behoort, maar een concreet overzicht waarbij specifiek is aangegeven welke stukken als bewijs dienen voor de betreffende vooraftrek ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de onderneming daarmee niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast. Ter zake van de door de onderneming in aftrek gebrachte voorbelasting voor facturen heeft de inspecteur gesteld dat er een boeking is gemaakt van een nog te ontvangen factuur met btw waarbij voorlopige voorbelasting is geclaimd. Volgens de inspecteur is echter niet vastgesteld dat sprake is van inkoop van werk van derden zodat de voorbelasting ten onrechte is geclaimd. Nu de gedingstukken geen aanknopingspunten bieden voor de standpunten van de onderneming, zijn de correcties volgens de rechtbank terecht. De naheffingsaanslagen kunnen derhalve in stand blijven volgens de rechtbank.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de inspecteur in de op hem rustende bewijslast is geslaagd ten aanzien van de opgelegde vergrijpboeten. Door aangiften omzetbelasting te doen op basis van schattingen aan de hand van bankafschriften heeft de onderneming de aanmerkelijke kans op het onjuist doen van aangiften aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve sprake van (voorwaardelijk) opzet. De rechtbank acht de boete ook passend en geboden.

De onderneming heeft geen aangiften vennootschapsbelasting gedaan over de jaren 2013 t/m 2016 en dit brengt volgens de rechtbank met zich dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. De inspecteur is bij zijn schatting uitgegaan van de auditfiles en het boekenonderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom sprake van een redelijke schatting. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ten aanzien van de gang van zaken rondom het boekenonderzoek, kan volgens de rechtbank namelijk niet leiden tot afwezigheid van alle schuld. Het gaat om de opzet op het moment van het doen van aangifte, terwijl de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden zien op de periode daarna. De uitspraken op bezwaar kunnen derhalve in stand blijven.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur echter ten onrechte geweigerd om een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb toe te kennen. Immers is het de inspecteur die heeft nagelaten om de verliesverrekening toe te passen. In zoverre  zijn de beroepen gegrond en wordt er een schadevergoeding van € 2.060 toegewezen

De rechtbank verklaart het  beroep deels gegrond en vermindert de vergrijpboetes met 20% vanwege overschrijding redelijke termijn en wijst een kosten- en schadevergoeding toe.

 

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30 mei 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3603

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:3603