Op 16 december 2025 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in een zaak waarin het ging om feitelijk leidinggeven aan het verrichten van trustdiensten zonder vergunning en het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting (ECLI:NL:HR:2025:1877). Deze zaak raakt aan een belangrijk spanningsveld: de nationale regulering van trustkantoren versus het Europese recht op vrij verkeer van diensten.

Verdachte wordt verweten dat hij feitelijke leiding gaf aan een trustdiensten vanuit Cyprus zonder vergunning van DNB. Deze verplichting geldt zowel voor kantoren die in Nederland gevestigd zijn (artikel 2 lid 1 Wtt (oud)) als voor kantoren met een zetel buiten Nederland (artikel 2 lid 2 Wtt (oud)). Artikel 2 lid 3 Wtt (oud) bevat het verbod op het verrichten van werkzaamheden gericht op het verlenen van trustdiensten door een buitenlands trustkantoor zonder vergunning, tenzij dat kantoor is gevestigd in een zogenoemde ‘aangewezen staat’ als bedoeld in artikel 2 lid 5 Wtt (oud).

De verdediging voerde aan dat deze vergunningsplicht in strijd is met de vrijheid van dienstverrichting. Daardoor zou het verbod een ongeoorloofde beperking opleveren van het vrije verkeer, temeer omdat de minister ten tijde van de tenlastegelegde feiten geen enkele andere EU-lidstaat als ‘aangewezen staat’ had aangemerkt in de zin van artikel 2 lid 5 Wtt (oud). De verdediging betoogt dat met de afwezigheid van aanwijzingen sprake is van een disproportioneel systeem. Volgens de Hoge Raad vormt het vergunningvereiste weliswaar een beperking van het vrije verkeer van diensten, maar is deze gerechtvaardigd vanwege het het algemeen belang van het beschermen van de integriteit van de Nederlandse financiële markten. Daarbij wordt onder meer gewezen op de risico’s van witwassen, belastingontduiking en corruptie, die met trustdiensten gepaard kunnen gaan. De regeling is bovendien non discriminatoir en beperkt zich tot trustdiensten. Het feit dat geen enkele EU-lidstaat is aangewezen als uitzondering doet daar niet aan af. Door de wetgever is in de parlementaire geschiedenis onderkend dat in andere lidstaten geen gelijkwaardig toezicht op trustdiensten bestaat. De Hoge Raad volgt het hof en verwerpt het cassatieberoep.

Het tweede middel betreft een bewijsklacht over het oordeel van het hof dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het doen van onjuiste btw-aangiften. Hoewel de Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie leidt, constateert de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Tussen het instellen van het cassatieberoep en de uitspraak van de Hoge Raad zijn meer dan twee jaren verstreken. Om die reden vermindert de Hoge Raad de taakstraf van 100 naar 90 uur.

Deze uitspraak bevestigt dat Nederland strenge eisen mag stellen aan trustdienstverlening, ook als die vanuit andere EU-lidstaten plaatsvindt. Het blijft opvallend dat Nederland tot op heden geen enkele lidstaat heeft aangewezen als “gelijkwaardig”, wat vragen oproept over de praktische werking van de uitzonderingsbepaling.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1877