Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch spreekt op 8 augustus 2025 een verdachte vrij van het overtreden van de Arbeidsomstandighedenwet, maar veroordeelt hem voor medeplegen van valsheid in geschrift, feitelijk leidinggeven aan belastingfraude en het vervalsen van facturen. De verdachte krijgt een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als hij die niet naar behoren uitvoert.
De verdachte leidde een onderneming in asbestsanering die haar certificaat verliest. Hij zorgde ervoor dat lopende projecten worden uitgevoerd door gecertificeerde bedrijven, waardoor het hof hem niet veroordeelt voor het verrichten van asbestsaneringswerkzaamheden zonder certificaat. Wel gaf hij opdracht tot het vervalsen van een inspectierapport waarin staat dat een locatie visueel is goedgekeurd, terwijl er nog asbest aanwezig was. Hij stuurde dit vervalste rapport naar de opdrachtgever, en het hof oordeelt dat hij daarmee valsheid in geschrift pleegt.
Daarnaast stuurde de verdachte onjuiste BTW-aangiften in over de jaren 2020 en 2021. Hij paste facturen aan van 21% BTW naar 0% of 9%, of vermeldde “BTW verlegd”, en nam deze vervalste facturen op in de administratie. In totaal vervalste hij 284 facturen. Het hof stelt vast dat hij dit doet om liquiditeit te creëren voor de onderneming, maar acht bewezen dat hij willens en wetens te weinig belasting laat afdragen.
Het hof verwerpt het verweer dat vervolging wegens valsheid in geschrift (artikel 225 Sr) uitgesloten zou moeten zijn vanwege het fiscale karakter van de feiten. Volgens het hof valt de tenlastelegging niet onder artikel 225 lid 2 Sr, en heeft de wetgever geen bredere uitsluitingsgrond bedoeld. Het hof stelt vast dat de verdachte als indirect bestuurder feitelijke macht uitoefent binnen de onderneming en verantwoordelijk is voor de verboden gedragingen. Hij geeft opdracht tot het aanpassen van facturen en inspectierapporten en heeft de mogelijkheid en verantwoordelijkheid om dit te voorkomen.
Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met het feit dat de verdachte eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke feiten, en dat hij inmiddels geen activiteiten meer verricht in de asbestsanering. Ook weegt het hof mee dat de verdachte € 300.000 heeft gestort in de boedel van de failliete onderneming, waarvan een deel aan de Belastingdienst is betaald. Daarmee onderstreept het hof de ernst van de feiten en het belang van het voorkomen van herhaling.
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 8 augustus 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2210.
