Naar het oordeel van de Hoge Raad is onvoldoende gemotiveerd waarom een brochure over een beleggingsproduct als bewijsstuk in de zin van art. 225 lid 1 Sr kan gelden. Het arrest van het Hof Amsterdam wordt daarom vernietigd en de zaak wordt terugverwezen.
In deze zaak ging het onder meer om een brochure waarin een beleggingsproduct werd aangeprezen. Hof Amsterdam had vastgesteld dat een deel van de in die brochure opgenomen mededelingen vals waren. Het betrof mededelingen over een Engelse Limited die aanvankelijk kleinschalig was gestart maar inmiddels was uitgegroeid tot een ‘wereldspeler’ binnen de branche, en over het feit dat zogenoemde carbon credits (verhandelbare digitale certificaten) werden aangehouden op een hoofdrekening die onder toezicht stond van de Zwitserse toezichthouder. De werkelijkheid was volgens het hof een heel anders dan aan de beleggers werd voorgespiegeld; de Limited was geen beleggingsbedrijf met daadwerkelijke eigenaren en had een katvanger aan het hoofd.
Het oordeel van het Hof Amsterdam, dat de brochure bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, is volgens de Hoge Raad echter niet toereikend gemotiveerd. Het hof had geen vaststellingen over dat en waarom aan de brochure in het maatschappelijke verkeer een zodanige betekenis kon worden toegekend, dat sprake is van een geschrift zoals onder deze strafbarstelling is vereist.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam. De zaak zal ten aanzien van dit feit en de strafoplegging opnieuw worden behandeld.
HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1089
