In deze civiele procedure stellen (Ministerie van Financiën) en de Ontvanger dat een trustkantoor onrechtmatig heeft gehandeld door verschillende vennootschappen aan het zicht van de Belastingdienst te onttrekken via een herfactureringsroute door Luxemburg. Deze procedure is het vervolg op het tussenarrest van Hof Amsterdam van 15 december 2020. Het Hof oordeelde daarin dat het legaliteitsbeginsel aan toewijzing van de vorderingen ten aanzien van de ‘belastingschuld’ ten aanzien van enkele vennootschappen niet mogelijk was, omdat de navorderingstermijnen zijn verstreken en daarom evenmin nog een grond voor aansprakelijkheid bestond. En ook de Hoge Raad bevestigde op 4 november 2022 – kort gezegd – dat een onrechtmatigedaadsactie niet kan worden ingesteld door de Ontvanger, indien er geen belastingaanslag is opgelegd en ook niet meer opgelegd kan worden. In dit arrest worden de vorderingen van de Staat c.s. beoordeeld die materieel betrekking hebben op de (overige) vennootschappen.

Het hof komt tot aansprakelijkheid, maar slechts met betrekking tot de navorderingsaanslag Vpb 1996 voor een van de vennootschappen. Ten aanzien van de andere jaren en/of vennootschappen oordeelt het hof dat de Staat c.s. onvoldoende heeft gesteld voor het oordeel dat er sprake is geweest van winst en/of dat deze winst in het buitenland is opgekomen in de zin van art. 16, vierde lid, AWR. Daarom kan de verlengde navorderingstermijn niet worden toegepast. Verhaal van de (niet-navorderbare) belasting op een privaatrechtelijke grondslag zou dan een onaanvaardbare doorkruising vormen van de publiekrechtelijke regeling van de belastingheffing en invordering.

Ten aanzienzien van de navorderingsaanslag Vpb 1996 oordeelt het hof onder meer dat de rechtbank terecht heeft aangenomen dat de herfacturering geen ander doel diende dan om de vennootschap aan het zicht van de Belastingdienst te onttrekken en dat het trustkantoor daarmee onrechtmatig jegens de Belastingdienst heeft gehandeld.

Het hof oordeelt verder dat er schade is geleden nu de aanslag niet meer inbaar is. Het causaal verband (conditio sine qua non-verband) is ook aanwezig, nu de herfacturering heeft bijgedragen aan het verhullen van het bestaan van de vennootschap voor de Belastingdienst, waardoor de navorderingsaanslag niet meer op de gebruikelijke wijze kan worden verhaald.

Hof Amsterdam overweegt verder dat nog moet worden onderzocht in hoeverre de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. In dit kader moet volgens het hof ook worden beoordeeld in hoeverre er sprake was van winstbestanddelen waarop de verlengde navorderingstermijn van artikel 16 vierde lid, AWR van toepassing is. Daarmee moet ook worden gekeken welk bedrag van de materiële belastingschuld wel zou zijn voldaan bij het uitblijven van het onrechtmatig handelen van het trustkantoor. In dit verband moet ook worden vastgesteld op welke datum de Belastingdienst in staat zou zijn geweest om over het jaar 1996 een aanslag Vpb op te leggen, indien het onrechtmatig handelen van het trustkantoor was uitgebleven.

Uit het voorgaande volgt dat het debat over de schadeomvang nog niet is afgerond. Daarom staat het hof, met betrekking tot de navorderingsaanslag 1996, een nadere memoriewisseling toe, om op basis daarvan tot een beslissing over de omvang van de schade te komen. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

Hof Amsterdam 16 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2590

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:2590