Verdachte staat terecht voor het opzettelijk indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting namens een BV over de periode van het vierde kwartaal 2016 tot en met het vierde kwartaal 2020. De BV, opgericht in 2016, houdt zich bezig met het bemiddelen van zorgpersoneel. Volgens de officier van justitie  is de BV belastingplichtig voor de omzetbelasting, maar wordt in de aangiften telkens ten onrechte een vrijstelling toegepast. De officier van justitie stelt dat verdachte als feitelijk leidinggever verantwoordelijk is voor deze onjuiste aangiften. De verdediging voert aan dat de onderneming wél vrijgesteld zou zijn van btw, mede omdat verdachte zelf zorg zou hebben verleend. Daarnaast stelt de verdediging dat verdachte mocht vertrouwen op de deskundigheid van zijn boekhoudster.

Rechtbank Overijssel oordeelt dat de BV geen recht heeft op een vrijstelling van omzetbelasting, omdat zij geen zorg verleent maar personeel bemiddelt. Uit verklaringen van verdachte en betrokkenen blijkt dat verdachte zelf niet bevoegd is om zorg te verlenen en dat de BV uitsluitend personeel aanlevert aan andere zorginstellingen. De rechtbank acht de stelling dat verdachte zelf zorg heeft verleend ongeloofwaardig en onvoldoende onderbouwd. Ook het beroep op de boekhoudster wordt verworpen: verdachte heeft geen deskundig advies ingewonnen en zich te passief opgesteld.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte opzettelijk handelt en feitelijk leiding geeft aan het indienen van onjuiste aangiften, waarmee een fiscaal nadeel van ruim € 355.000 wordt veroorzaakt.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, de lange periode waarin de fraude plaatsvindt en het aanzienlijke benadelingsbedrag. Hoewel de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden voorschrijven, past de rechtbank een strafkorting van 10% toe vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

 

Rechtbank Overijssel 16 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3908

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:3908