De Rechtbank Noord-Holland heeft uitspraak gedaan in de zaak waarin de Belastingdienst een informatiebeschikking heeft opgelegd aan een eiseres wegens gebreken in de administratie en het niet volledig beantwoorden van vragen tijdens een boekenonderzoek. Eiseres heeft te laat bezwaar gemaakt tegen deze informatiebeschikking, waarna verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en daarnaast het bezwaar ambtshalve heeft beoordeeld. Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een prematuur of mondeling bezwaar. Ook is de rechtsmiddelverwijzing voldoende duidelijk, zodat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het beroep is ongegrond.

Eiseres stelt dat het bezwaar onterecht niet-ontvankelijk is verklaard. Eiseres stelt primair dat sprake is geweest van een prematuur bezwaar door middel van een e-mailbericht. Subsidiair stelt eiseres dat zij binnen de termijn wel mondeling bezwaar heeft gemaakt tijdens een gesprek met verweerder. Meer subsidiair neemt eiseres het standpunt in dat de rechtsmiddel-verwijzing onduidelijk is, waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar is geweest.

De Belastingdienst heeft meerdere keren informatie opgevraagd en herinneringen gestuurd. Nadat opnieuw geen volledige reactie volgde, werd een informatiebeschikking vastgesteld, voorzien van een duidelijke rechtsmiddelverwijzing. Eiseres reageerde aanvankelijk met een e-mail waarin zij aangaf wel voldoende te hebben meegewerkt. Kort daarna vond een gesprek plaats waarin een compromis werd besproken, maar dit leidde niet tot een oplossing. Pas ruim na afloop van de bezwaarperiode diende een nieuwe adviseur een formeel bezwaarschrift in.

Eiseres voerde aan dat het bezwaar onterecht niet-ontvankelijk was verklaard. Zij stelt dat eerder al sprake was van een prematuur bezwaar via e-mail, dat tijdens het gesprek mondeling bezwaar is gemaakt, en dat voor zover sprake is van een te laat ingediend bezwaar, de termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat de rechtsmiddelverwijzing onduidelijk zou zijn.

De rechtbank oordeelde dat de eerdere e-mail slechts een reactie was op vragen en niet als bezwaar kon worden gezien. Uit het verslag van het gesprek blijkt niet dat eiseres bezwaar maakte of dat eiseres de bedoeling had om bezwaar te maken. Uit het verslag kan ook niet worden opgemaakt dat eiseres de informatiebeschikking mondeling heeft betwist. De rechtsmiddelverwijzing in de informatiebeschikking was aanwezig en duidelijk. Daarmee was het bezwaar te laat en niet-ontvankelijk en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er was geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:8621