Rechtbank Oost‑Brabant heeft op 19 december 2025 vonnis gewezen in een strafzaak tegen verdachte die werd vervolgd voor feitelijke leiding geven aan belastingfraude door twee door hem opgerichte vennootschappen. De zaak gaat om BTW-aangiften die in de periode juli 2022 – januari 2023 waren ingediend.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte beide bedrijven heeft opgericht, bankrekeningen heeft geopend en de onderneming bij de Kamer van Koophandel heeft ingeschreven. Verdachte verklaarde dat hij dit deed op initiatief van een “groep” om zijn gokschulden af te lossen. Verdachte verstrekte de groep zijn ID‑bewijs, DigiD‑gegevens en toegang tot de bedrijfsrekeningen, zodat de groep na aanvraag van eHerkenning vanuit zijn naam aangiften konden indienen. De Belastingdienst stortte teruggaven op de rekeningen van de vennootschappen, waarna verdachte het geld opnam en contant aan de groep overhandigde. In totaal ging het om ongeveer € 94.000.

Verdachte werd strafrechtelijk vervolgd voor het als actief feitelijk leidinggever van de door hem opgerichte bedrijven schuldig maken aan het medeplegen van belastingfraude. De strafkamer van Rechtbank Oost-Brabant besliste dat de door verdachte opgerichte bedrijven opzettelijk onjuiste aangiften BTW hadden ingediend op grond waarvan de Belastingdienst ten onrechte was overgegaan tot uitbetalingen aan deze bedrijven. De handelingen hadden plaatsgevonden dan wel waren verricht in de sfeer van de vennootschappen: het indienen van btw‑aangiften behoorde tot hun normale bedrijfsvoering, de onjuiste aangiften waren de vennootschappen dienstig geweest en de rechtspersonen konden bepalen dat de gedragingen plaatsvonden. De vraag was vervolgens of verdachte aan die verboden gedragingen feitelijke leiding had gegeven. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend: verdachte heeft een actieve en substantiële bijdrage geleverd aan het geheel van handelingen dat leidde tot het doen van de onjuiste aangiften. Verdachte wist dat de bedrijven geen reële activiteiten hadden en uitsluitend waren opgericht om geld van de Belastingdienst te ontvangen. Door zijn rol – het oprichten van de vennootschappen, het beheren van de bankrekeningen, het aanleveren van middelen waardoor de groep aangiften kon indienen en het opnemen van de ontvangen bedragen – had verdachte opzet op de verboden gedraging en heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat belastingfraude zou plaatsvinden.

De rechtbank acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen: het medeplegen van opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting waarvan verdachte feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd. Verdachte is strafbaar; er bestaan geen strafuitsluitingsgronden. Hoewel de redelijke termijn licht is overschreden, verbindt de rechtbank daaraan geen gevolgen.

Bij de straftoemeting weegt de rechtbank de ernst van de feiten mee: verdachte heeft misbruik gemaakt van het systeem van aangifte‑ en teruggaaf van omzetbelasting en de Belastingdienst voor ruim € 161.000 benadeeld. Het feit dat verdachte met de fiscus een betalingsregeling heeft getroffen en niet de initiator was, maar wel significant profiteerde via aflossing van zijn gokschulden, wordt meegewogen. De rechtbank acht oplegging van een taakstraf van 200 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden.

 

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2025:8317