In een recente zaak voor Hof Den Haag stond de vraag centraal of een Nederlandse handelaar in schroot terecht het nultarief bij intracommunautaire leveringen is geweigerd omdat haar Britse afnemers btw‑fraude zouden hebben gepleegd, en of zij hiervan wist of had moeten weten. Deze zaak volgt op een omvangrijk, meerjarig strafrechtelijk onderzoek door de FIOD, naar onder meer drie Britse vennootschappen. Hoewel belanghebbende formeel gezien aan alle voorwaarden voor toepassing van het nultarief heeft voldaan en de leveringen daadwerkelijk grensoverschrijdend zijn verricht, rijst de vraag of zij de zorgvuldigheid heeft betracht die van haar mocht worden verwacht gelet op eerdere waarschuwingen en de specifieke sector (export van metalen).

In deze zaak is de wijze van opereren door de Britse afnemers op uitvoerige wijze uiteengezet, aan de hand van informatie verkregen van de Britse fiscus (‘HMRC’). Op intracommunautaire verwervingen en doorleveringen was door een eerste Britse afnemer weliswaar in de aangiften omzetbelasting opgenomen, maar door fictieve inkopen op te voeren is nagenoeg geen btw afgedragen. De tweede Britse afnemer zou in verhouding tot aangekochte goederen evenmin zo goed als geen verschuldigde btw verantwoord hebben en als ‘missing trader’ zijn aangemerkt. De derde afnemer zou, ondanks omvangrijke inkoopvolumes, zelfs geheel hebben nagelaten aangiften omzetbelasting te doen. Het hof onderschrijft dat deze handelswijze in essentie wijzen op het ontgaan van verschuldigde btw in het Verenigd Koninkrijk en derhalve kwalificeren als btw‑fraude in de zin van het Italmoda-arrest en latere rechtspraak van het Hof van Justitie.

Daarnaast stelt het hof vast dat belanghebbende niet slechts incidenteel zaken deed met vennootschappen die na korte tijd hun btw‑nummer verloren of werden ontbonden. De snelheid waarmee afnemers elkaar opvolgden, het ontbreken van vergunningen in het Verenigd Koninkrijk bij alle drie de relevante afnemers, en het feit dat de goederen vrijwel steeds op andere adressen werden afgeleverd dan de formele vestigingsadressen, neemt het hof bij zijn beoordeling in aanmerking. Het hof slaat daarnaast acht op de rol van tussenvennootschappen in Nederland, die schakeltransacties uitvoerden zonder winstmarge en betalingen vrijwel één op één doorstortten.

Het hof acht verder van belang dat medewerkers van belanghebbende al in 2013, destijds werkzaam bij een soortgelijke onderneming, door de Belastingdienst expliciet waren gewaarschuwd voor intracommunautaire btw-fraude in de schrootsector. Die kennis is volgens het hof relevant en mag worden meegewogen in de beoordeling of belanghebbende in 2017 de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen, al waren de waarschuwingsbrieven niet direct aan belanghebbende gericht.

De stelling dat de nodige zorgvuldigheid in acht was genomen, wordt dan ook door het hof verworpen. Het ontbreken van KYC‑dossiers, de afweging om toch te blijven leveren aan afnemers zonder vergunning en het gemak waarmee afnemers werden geaccepteerd die op (enkel) postadressen stonden ingeschreven, maken in het licht van de jurisprudentie dat belanghebbende niet de zorgvuldigheid heeft betracht en maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem konden worden verlangd om ervoor te zorgen dat hij niet betrokken raakte bij een handeling die onderdeel was van btw-fraude in de handelsketen.

Interessant is dat belanghebbende verwijst naar een eerdere vrijspraak in de strafzaak van Rechtbank Amsterdam, waarin werd geoordeeld dat niet kon worden vastgesteld dat in de ketenfraude was gepleegd. Het hof wijst erop dat deze strafrechtelijke beoordeling – die bovendien in hoger beroep is gecorrigeerd – niet beslissend is voor het fiscale kader. Voor de btw is voldoende dat in de keten als geheel fraude werd gepleegd en dat belanghebbende wist of moest weten dat haar transacties daarin waren ingebed. Deze benadering sluit aan bij de uitspraken van Italmoda, Aquila Part Prod Com en meer recent de Hoge Raad (HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1135), die benadrukken dat een belastingplichtige in een risicosector een actieve zorgplicht heeft om te voorkomen dat zijn handelen onderdeel wordt van fraude. Het hof past die lijn strikt toe.

Wat deze uitspraak met name relevant maakt voor de praktijk, is de wijze waarop het hof de drempel voor “had moeten weten” invult. Factoren die voorheen als aanvullend golden, zoals het ontbreken van vergunningen, frequente wisselingen in afnemers of levering op afwijkende adressen, worden hier in samenhang doorslaggevend geacht. Tegelijkertijd laat de uitspraak zien dat de Belastingdienst zwaar mag leunen op informatie van de Engelse fiscus (HMRC), zelfs wanneer die informatie ziet op gedragingen verderop in de keten dan de transacties van belanghebbende zelf.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2837