Een gespecialiseerd cardioloog (‘belanghebbende’) ontwikkelt samen met een Belgische collega een medische methode voor diagnose en behandeling van kransslagadervernauwingen (FFR). In 1997 sluit hij een consultancyovereenkomst met een Zweedse vennootschap, waarbij hij recht krijgt op 2% royalty’s over de verkoop van het diagnosesysteem. Kort daarna draagt hij deze rechten voor ƒ 100.000 over aan zijn in België/Monaco woonachtige zwager, die zelf een vergelijkbare overeenkomst met de Zweedse vennootschap sluit.

In 2007 ontvangen belanghebbende, zijn echtgenote en hun kinderen in totaal € 2,3 miljoen van de zwager. Zij merken dit aan als onbelaste schenking. De Belgische collega ontvangt eveneens
€ 2,3 miljoen. Een jaar later betaalt de Zweedse vennootschap een afkoopsom van SEK 125 miljoen (€ 11,19 mln) aan de zwager voor beëindiging van de royaltyovereenkomst.

Uit het Belgisch strafrechtelijk onderzoek blijkt, mede door informatie afkomstig uit Monaco, dat belanghebbende en zijn collega betrokken zouden zijn gebleven bij de technische ontwikkeling van de FFR, en dat de zwager een deel van zijn royalty’s met hen deelde, vermomd als schenking. E-mails en Excel-bestanden wijzen op een verdeling van miljoenen euro’s tussen de artsen. Deze informatie wordt door de Belgische autoriteiten gedeeld met de Nederlandse FIOD en Belastingdienst.

De inspecteur legt voor 2008 een navorderingsaanslag op, waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 3.869.579, het inkomen uit aanmerkelijk belang op
€ 5.913 en het inkomen uit sparen en beleggen op € 82.532. Ook brengt hij € 657.062 aan heffingsrente in rekening en legt hij een vergrijpboete van € 1,5 miljoen op. Het bezwaar wordt ongegrond verklaard.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

In beroep verzoekt de inspecteur op grond van artikel 8:29 Awb om geheimhouding van bepaalde stukken. De rechtbank wijst dit deels toe. Tijdens de zitting komt echter de vraag op of de inspecteur heeft voldaan aan artikel 8:42 Awb, te weten de verplichting tot het overleggen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Belanghebbende stelt dat dit niet is gebeurd voor drie bijlagen (84A t/m 84C).

De inspecteur voert aan dat deze stukken zijn gebaseerd op informatie van de Monegaskische autoriteiten waarvoor geen toestemming is verleend voor gebruik in Nederland. De rechtbank oordeelt echter dat de stukken wél op de zaak betrekking hebben en dat het ontbreken van toestemming daaraan niet afdoet.

Zozeer-indruistcriterium

Belanghebbende stelt vervolgens dat de stukken zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen behoorlijk overheidsoptreden, dat gebruik ervan ontoelaatbaar is. Dit zogenoemde zozeer-indruistcriterium – ontleend aan het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 1992 – houdt in dat het gebruik van dergelijk bewijsmateriaal slechts dan niet is toegestaan, indien het is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik ervan onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.

De rechtbank stelt vast dat bijlagen 84A tot en met 84C zijn gebaseerd op stukken die Monaco aan België heeft verstrekt, welke door de (Nederlandse) FIOD in België zijn ingezien zonder dat Monaco daarvoor toestemming gaf. Zowel de FIOD als de inspecteur wisten dat deze toestemming ontbrak en rechtshulpverzoeken aan Monaco om het gebruik van de gegevens toe te staan zijn steeds afgewezen.

Gebruik van deze stukken is, aldus de rechtbank, in strijd met de verdragstrouw tussen Nederland, België en Monaco en druist zodanig in tegen behoorlijk overheidsoptreden dat het gebruik van deze stukken onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is. De rechtbank acht het buiten beschouwing laten van deze stukken dan ook een passende sanctie.

De rechtbank verwijst hierbij ook naar het arrest van de Hoge Raad van 31 januari van dit jaar.[1]
In dit arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat het zorgvuldigheidsbeginsel er niet aan in de weg staat dat de inspecteur gebruik maakt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen, indien de inspecteur ook op een andere wijze kennis had kunnen nemen van de stukken. Gebruik van jegens de belanghebbende op strafrechtelijk onrechtmatige wijze verkregen bewijsmiddelen is verder alleen verboden indien (i) artikel 6 EVRM dat vereist, of (ii) de verkrijging zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is.

De rechtbank oordeelt in de onderhavige uitspraak verder dat de stukken die ten grondslag liggen aan bijlagen 84A tot en met 84C niet worden uitgesloten, omdat zij niet op de zaak betrekking hebben. Evenmin worden stukken uitgesloten die België in 2018 op verzoek van Nederland heeft verstrekt, omdat de inspecteur erop mocht vertrouwen dat België deze rechtmatig heeft verstrekt.

Aanslag en boete

Ondanks het uitsluiten van de stukken, bestaat er volgens de rechtbank voldoende grond voor het in stand laten van de navorderingsaanslag, omdat de inspecteur voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende de royalty-inkomsten heeft genoten. Wel vernietigt de rechtbank de vergrijpboete, omdat de inspecteur niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat belanghebbende (voorwaardelijk) opzet had op het indienen van een onjuiste aangifte.

Proceskostenvergoeding

Belanghebbende heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding. Hiervoor ziet de rechtbank geen aanleiding. In de gang van zaken met betrekking tot de op de zaak betrekking hebbende stukken – het eerst ten onrechte buiten beschouwing laten ervan én het onbehoorlijke verkrijgen ervan – ziet de rechtbank wel aanleiding om de inspecteur te veroordelen in een bovenforfaitaire kostenvergoeding, omdat hij naar het oordeel van de rechtbank vergaand onzorgvuldig heeft gehandeld. De proceskostenvergoeding die wordt toegekend bedraagt
€ 20.000.

Analyse

De gang van zaken in deze procedure roept verschillende vragen op. Belanghebbende beroept zich in eerste instantie (terecht) op het feit dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken in de procedure heeft gebracht. Echter, wanneer deze stukken uiteindelijk toch worden ingebracht, klaagt belanghebbende erover dat het gebruik van deze stukken indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht. Was de inhoud van de bijlagen 84A tot en met 84C dan toch zo onwelgevallig dat belanghebbende deze bij nader inzien graag buiten de procedure wilde houden? En heeft belanghebbende dan niet een groot risico genomen door eerst wel een beroep te doen op artikel 8:42 Awb? Of was deze ogenschijnlijk kunstmatige route voor belanghebbende juist noodzakelijk om aan te kunnen tonen dat het handelen van de inspecteur onrechtmatig was?

Voor zover het einddoel van belanghebbende inderdaad was om juist aannemelijk te maken dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld, en aan de hand daarvan een bovenforfaitaire proceskostenvergoeding te vorderen, was het voor belanghebbende wellicht inderdaad van belang deze omweg met betrekking tot de zaakstukken te bewandelen. In dat geval heeft hij er goed aan gedaan zich eerst te beroepen op artikel 8:42 Awb, om zich vervolgens te beroepen op uitsluiting van deze stukken.

Wat daar ook van zij, ondanks dat de navorderingsaanslag in stand is gebleven, heeft het gesteggel over de bijlagen 84A tot en met 84C voor belanghebbende uiteindelijk wel geleid tot een bovenforfaitaire vergoeding van de proceskosten. Ons levert het een uitbreiding op van het summiere jurisprudentiearsenaal, waarin de verkrijging van stukken, vanwege strijd met de goede verdragstrouw, zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is.[2]

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:4267

 

[1] Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:154, BNB 2025/67.

[2] Zie verder Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 23 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2351.