Een recente uitspraak van Hof ’s‑Hertogenbosch laat fraai zien dat omkering en verzwaring van de bewijslast de inspecteur weliswaar binnen de kaders van een redelijke schatting ruimte geeft om tot een correctie te komen, maar geen vrijbrief vormt voor creatief rekenen. De zaak draait om veronderstelde inkomsten uit het organiseren van voetbalweddenschappen, door de inspecteur berekend op basis van een extrapolatie van sms‑verkeer gedurende acht dagen in april 2014.
Het hof herhaalt eerst de bekende maatstaf: (ook) bij toepassing van art. 27e AWR moet de aanslag berusten op een redelijke schatting, die ertoe strekt willekeur te voorkomen. Die toets is niet streng, zo benadrukt het hof, maar zij verlangt wél dat de inspecteur zijn aannames feitelijk onderbouwt en inzicht biedt in de gehanteerde uitgangspunten:
“4.6 Het hof dient te beoordelen of de door de inspecteur gemaakte schatting van het bedrag van de navorderingsaanslagen redelijk is. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de (omkering en) verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur (Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184 en Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311). In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan; de inspecteur moet aanknopingspunten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn schatting redelijk (niet willekeurig) is (Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4483 en Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093). Belanghebbende kan op zich volstaan met een betwisting van de redelijkheid. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng (Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086). Voor de beoordeling of de schatting redelijk is, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven (Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324).”
Die redelijkheidstoets doorstaat de schatting op onderdelen. Zo acht het hof de toegepaste winstverdeling van 50% aan belanghebbende verdedigbaar, mede gezien de door belanghebbende zelf afgelegde verklaringen hierover in het strafrechtelijk traject. Ook strandt het betoog dat de betreffende aprilweek ten opzichte van andere weken uitzonderlijk winstgevend zou zijn geweest wegens het sportieve belang van de wedstrijden, nu deze stelling niet verder wordt onderbouwd.
Bij de tijdseenheid die ten grondslag is gelegd aan de extrapolatie strandt de schatting echter. De inspecteur baseert zich op een periode van acht dagen, die hij aanmerkt als een ‘speelweek’. Wat onder dat begrip moet worden verstaan – en vooral waarom deze acht dagen gelijkgesteld kunnen worden aan een reguliere week – weet de inspecteur ter zitting niet concreet te maken. Het hof constateert bovendien dat binnen die periode meerdere wedstrijden van dezelfde clubs voorkomen en competities uit verschillende landen door elkaar lopen. Dat duidt eerder op een willekeurig gekozen periode dan op een afgeronde speelronde.
Het hof trekt hier een duidelijke grens. Nu de inspecteur niet inzichtelijk maakt waarin een ‘speelweek’ verschilt van een normale week en hoe eventuele afwijkingen in de extrapolatie zijn verdisconteerd, ontbeert de schatting op dit punt een feitelijke onderbouwing. De acht‑dagenweek is niet houdbaar in het kader van de redelijkheidstoets. Het hof corrigeert dit door de geëxtrapoleerde winst met 12,5% te verminderen. De uitspraak onderstreept daarmee dat omkering en verzwaring van de bewijslast geen vrijbrief vormen en de schatting van het inkomen de redelijkheidstoets moet kunnen doorstaan.
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:881
