In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant staat de beoordeling centraal van twee naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd aan een inmiddels ontbonden vennootschap. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond, vermindert één aanslag aanzienlijk, vernietigt beide boetebeschikkingen en kent een proceskostenvergoeding toe. De zaak illustreert hoe belastingprocedures ook na ontbinding van een rechtspersoon relevant kunnen blijven, en hoe de inspecteur zijn standpunt mag herzien in bezwaar- en beroepsfase.

De rechtbank behandelt de beroepen van belanghebbende B.V. tegen uitspraken op bezwaar van de Belastingdienst inzake naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2018 en 2019. De vennootschap is inmiddels ontbonden, maar de beroepen zijn ontvankelijk omdat zij zijn ingesteld vóór de ontbinding en er nog een belang bestaat bij de beoordeling. De rechtbank acht zich bevoegd, ondanks dat de statutaire zetel van belanghebbende in een ander arrondissement lag, omdat alle betrokken partijen hiermee instemden.

De inspecteur had naheffingsaanslagen opgelegd na een boekenonderzoek, waarbij bleek dat belanghebbende voorbelasting had afgetrokken zonder belaste prestaties te verrichten. In 2018 ging het om € 74.402 aan voorbelasting, in 2019 om € 13.902. Aanvankelijk stelde de inspecteur dat het bezwaar tegen de tweede aanslag niet-ontvankelijk was, maar hij wijzigde dit standpunt en achtte het bezwaar alsnog ontvankelijk. Ook stelde hij voor de eerste aanslag te verminderen tot het bedrag van de afgetrokken voorbelasting en de boetebeschikkingen te vernietigen.

De rechtbank volgt dit gewijzigde standpunt. Zij oordeelt dat de eerste naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 74.402 en dat de tweede aanslag gehandhaafd blijft. Beide boetebeschikkingen worden vernietigd, mede vanwege de financiële omstandigheden van belanghebbende en de overschrijding van de redelijke behandeltermijn. De rechtbank kent een vergoeding toe voor het griffierecht (€ 371) en de proceskosten (€ 907), maar niet voor de bezwaarfase omdat daarover geen tijdig verzoek is gedaan.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5159

ECLI:NL:RBZWB:2025:5159, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24/5639 en 24/5640