Rechtbank Amsterdam heeft een vastgoedbeheerder veroordeeld voor verduistering, oplichting en valsheid in geschrift, gepleegd binnen vier beleggingsfondsen. In totaal eigende verdachte zich ruim 1,2 miljoen euro van beleggers toe. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een beroepsverbod van vijf jaar.
Verdachte betrof een natuurlijk persoon en was feitelijk bestuurder een indirect aandeelhouder van vier vastgoedfondsen (hierna: fonds I t/m IV). Obligatiehouders financierden de aankoop en exploitatie van woningen, terwijl verdachte als enige toegang had tot de bankrekeningen. Naar aanleiding van een AFM-onderzoek bij fonds IV en een artikel 12-procedure werd een strafrechtelijk onderzoek gestart naar alle fondsen.
De verdediging voerde aan dat civiele lijfsdwang en een door de AFM opgelegde last onder dwangsom strafrechtelijk van aard zouden zijn, waardoor vervolging niet mogelijk zou zijn. De rechtbank verwerpt dit verweer en achtte het Openbaar Ministerie ontvankelijk om de volgende redenen:
- Lijfsdwang heeft geen bestraffend, maar een reparatoir karakter en is opgelegd op initiatief van een private partij;
- Ook een last onder dwangsom is volgens de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:310) niet punitief;
- Beide maatregelen zien bovendien niet op hetzelfde feit.
Uit onderzoek naar de bankrekeningen blijkt dat verdachte jarenlang beleggersgelden gebruikte voor privé-uitgaven en voor betalingen aan derden. Ook werden grote bedragen zonder zakelijke grondslag overgemaakt naar zijn beheermaatschappij.
De rechtbank vergelijkt per fonds de geldstromen met de doelbinding uit de investeringsmemoranda. Telkens blijkt dat de toegestane vergoedingen ruimschoots zijn overschreden en dat voor grote delen van de overboekingen elke zakelijke legitimatie ontbreekt.
Bij fonds IV is vanaf de start sprake van oplichting. Onder een misleidend investeringsmemorandum werd geld aangetrokken terwijl vastgoed nooit werd aangekocht. De inleg werd direct aan andere doelen besteed.
Verdachte heeft volgens de rechtbank in civiele procedures valse bankoverzichten ingebracht alsmede e-mails, teneinde faillissement van fonds I af te wenden.
De rechtbank weegt zwaar dat verdachte zich jarenlang structureel schuldig maakt aan frauduleuze handelingen, met grote gevolgen voor beleggers en het vertrouwen van nietsvermoedende particulieren. Wel wordt rekening gehouden met een jaar ondergane lijfsdwang en de overschrijding van de redelijke termijn (3,5 jaar).
De rechtbank komt tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar alsmede een beroepsverbod voor vijf jaar.
Er had zich in deze zaak ten slotte een groot aantal benadeelde partijen gevoegd. Het merendeel daarvan wordt niet-ontvankelijk verklaard, omdat de vorderingen niet waren onderbouwing, respectievelijk de hoogte van de schade niet eenvoudig is vast te stellen. Drie vorderingen worden toegewezen telkens met wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.
Rechtbank Amsterdam 16 oktober 2025
