De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het afnemen van getuigenverhoren door senior gerechtsjuristen in strafzaken, zoals gebeurde in een pilot van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Ondanks positieve resultaten en instemming van procespartijen, acht hij deze werkwijze onverenigbaar met de wettelijke taakverdeling en waarborgen binnen het strafproces.

In het kader van een door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opgestarte pilot, bedoeld om de aanzienlijke achterstanden bij het horen van getuigen te reduceren, zijn in eenvoudige strafzaken getuigenverhoren afgenomen door senior gerechtsjuristen (SGJ’s) in plaats van door de raadsheer-commissaris (RHC). Deze werkwijze vond slechts plaats met instemming van zowel de verdediging als de advocaat-generaal. De RHC was niet aanwezig bij het verhoor, maar sloot uitsluitend aan voor de formele beëindiging. De pilot leverde aantoonbare tijdwinst op: de werkvoorraad daalde met 41% en de doorlooptijd met 55–72%. Zowel advocaten als raadsheren waren positief over de kwaliteit. Niettemin rijst de vraag of deze constructie een wettelijke grondslag kent.

In de vordering van Procureur-Generaal Bleichrodt tot cassatie in het belang der wet van 18 juli 2025 gaat hij in op deze pilot en de vraag of hier een wettelijke grondslag voor bestaat. Eerst gaat hij in op het juridisch kader. De bevoegdheid tot het horen van getuigen in strafzaken is geregeld in artikel 210 Sv. In hoger beroep berust deze taak bij de raadsheer-commissaris (art. 415 Sv jo. art. 210 Sv). Artikel 177, tweede lid, Sv biedt een beperkte mogelijkheid tot delegatie van verhoorhandelingen, doch uitsluitend aan in dat artikel genoemde opsporingsambtenaren. Een SGJ wordt daarin niet genoemd. De wet sluit de inzet van een SGJ voor verhoren niet expliciet uit, maar bevat evenmin een grondslag voor structurele vervanging van de RHC.

De Wet RO (art. 14) omschrijft de SGJ als gerechtsambtenaar die ondersteunende taken uitvoert, niet als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast. Dat verschil is wezenlijk: een gerechtsjurist ondersteunt, maar vervangt de rechter niet. Internationale standaarden, zoals Opinion no. 22 (2019) van de CCJE, bevestigen dat een judicial assistant de rechter helpt, maar diens taken niet overneemt.

De PG overweegt vervolgens dat het getuigenverhoor een proceshandeling is met een directe waarheidsvindingstaak. De rechter-commissaris beoordeelt niet alleen de inhoud van verklaringen, maar ook betrouwbaarheid, consistentie en of een verklaring ‘van horen-zeggen’ is. Deze beoordeling vereist onmiddellijke aanwezigheid bij het verhoor. Delegatie aan een SGJ zonder aanwezigheid van de rechter maakt het onmogelijk om wettelijke bevoegdheden (bijv. gijzeling) en waarborgen (bijv. verschoningsrecht) tijdens het verhoor te waarborgen.

De instemming van procespartijen kan het ontbreken van een wettelijke bevoegdheidsgrondslag niet repareren. Instemming voorkomt evenmin dat, indien de wet strikt wordt uitgelegd, de verklaring later in het geding als onrechtmatig verkregen of onbruikbaar bewijs kan worden aangemerkt.

Hoewel het terugdringen van doorlooptijden een legitiem en wenselijk doel is, kan dit niet ten koste gaan van de wettelijke taaktoedeling binnen het strafproces, aldus de PG. Hij concludeert – naar ons oordeel terecht – dat de pilot een deugdelijke wettelijke grondslag ontbeert. Hij vordert daarom dat de Hoge Raad de beslissing om getuigen door een SGJ te laten horen vernietigt.

Parket bij de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:PHR:2025:806

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:806