In dit arrest oordeelde het Hof van Justitie van de EU dat een door een advocaat verrichte no-cure-no-pay-dienst een dienst onder bezwarende titel vormt en dus een voor de btw belastbare handeling is, indien de wederpartij wordt veroordeeld tot betaling van het honorarium.

Feiten

De advocaat in kwestie verleende pro bono rechtsbijstand in een civiele zaak. De cliënt van de advocaat werd in het gelijk gesteld en de wederpartij werd veroordeeld tot betaling van het (wettelijk vastgestelde) honorarium van de advocaat, zonder daarin de btw te betrekken. De advocaat verzocht de rechter vervolgens eveneens een bedrag aan btw toe te wijzen. De wederpartij verzette zich daartegen en stelde zich op het standpunt dat geen btw over het honorarium toegekend kan worden, omdat de rechtsbijstand gratis was verricht en het zodoende niet een voor de btw belaste handeling kon betreffen. De rechter stelt prejudiciële vragen aan het Hof.

Prejudiciële vraag

Volgens de rechter moet worden verduidelijkt of de advocatenhonoraria aan de btw moeten worden onderworpen wanneer de vertegenwoordiging in rechte gratis (pro bono) is verleend en de bevoegde rechter de in het ongelijk gestelde wederpartij heeft gelast rechtstreeks aan deze advocaat het equivalent te betalen van het bedrag dat hij zou hebben ontvangen indien hij de dienst tegen betaling had verricht. In het bijzonder vraagt de rechter zich af of de verlening van rechtsbijstand in dit geval neerkomt op de verrichting van diensten onder bezwarende titel.

Oordeel hof

Het Hof van Justitie oordeelt dat de door de advocaat verrichte no-cure-no-pay dienst onder bezwarende titel wordt verricht en zodoende een voor de btw belastbare handeling vormt. Dat de betaling van de honoraria afhangt van het onzekere resultaat van de procedure, is volgens het Hof niet van belang. Het Hof overweegt dat deze honoraria namelijk wel de daadwerkelijke tegenprestatie voor de dienst vormen, bestaande uit de vertegenwoordiging in rechte. Niet relevant is dat de honoraria zijn verkregen van de wederpartij en niet van degene aan wie de dienst is verleend. Er dient sprake te zijn van een rechtstreeks verband tussen de verrichte dienst en de daadwerkelijk door de belastingplichtige ontvangen tegenprestatie. Het Hof overweegt dat in dit geval sprake was van een rechtstreeks verband en dat dit verband zowel uit een overeenkomst (tot rechtsbijstand) als uit de wet volgde.

HvJ EU 23-10-2025, ECLI:EU:C:2025:816

https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=ecli:ECLI:EU:C:2025:816