Piloot mist zijn vlucht naar het gelijkheidsbeginsel
In zijn arrest van 12 juni 2026 buigt de Hoge Raad zich over de reikwijdte van begunstigend fiscaal beleid bij de toepassing van belastingverdragen.[1] Een Nederlandse piloot die voor een Turkse luchtvaartmaatschappij werkt, krijgt geen toegang tot een begunstigende regeling die wel geldt voor piloten die werkzaam zijn in bepaalde Golfstaten. Volgens het hof wringt dat. Waarom zou de ene Nederlandse piloot wel van die goedkeuring mogen profiteren en de andere niet?
Centraal staat de vraag of een in Nederland wonende piloot, werkzaam voor een Turkse luchtvaartmaatschappij, met een beroep op het gelijkheidsbeginsel aanspraak kan maken op toepassing van de vrijstellingsmethode op grond van het zogenoemde Golfstatenbesluit. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beantwoordde die vraag nog bevestigend.[2]
Op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en Turkije is het heffingsrecht over de inkomsten van transportwerknemers, waaronder piloten, toegewezen aan de staat waarin de transportonderneming is gevestigd. Nederland verleent als woonstaat vervolgens voorkoming van dubbele belasting volgens de verrekeningsmethode.
In zijn aangiften IB/PVV claimde belanghebbende echter voorkoming van dubbele belasting volgens de vrijstellingsmethode. Daarbij beriep hij zich op het Golfstatenbesluit.[3] In dat besluit is voor bepaalde inkomsten uit dienstbetrekking uit Golfstaten goedgekeurd dat Nederland de vrijstellingsmethode toepast, ook wanneer het toepasselijke belastingverdrag eigenlijk de verrekeningsmethode voorschrijft.
De inspecteur volgde de aangiften aanvankelijk, maar legde later navorderingsaanslagen op. Volgens de inspecteur was het Golfstatenbesluit niet van toepassing op een piloot die werkte voor een Turkse luchtvaartmaatschappij. Het belastingverdrag met Turkije schrijft de verrekeningsmethode voor en Turkije is geen Golfstaat.
Het hof oordeelde dat niet viel in te zien waarom een in Nederland wonende piloot met looninkomsten uit Turkije wezenlijk verschilt van een in Nederland wonende piloot met looninkomsten uit bijvoorbeeld Bahrein of Oman. In beide gevallen gaat het om een Nederlandse inwoner die als piloot in het buitenland werkt en te maken krijgt met een belastingverdrag waarin de verrekeningsmethode is voorgeschreven. Volgens het hof moest de begunstiging uit het Golfstatenbesluit zich daarom op grond van het gelijkheidsbeginsel ook uitstrekken tot belanghebbende.
De Hoge Raad ziet dat anders. Niet de positie van de piloot staat centraal, maar de aard van belastingverdragen. Aangezien belastingverdragen het resultaat zijn van politieke, economische en diplomatieke onderhandelingen, heeft de staatssecretaris volgens de Hoge Raad een ruime vrijheid om begunstigend beleid te beperken tot specifieke landen of groepen landen.
Dat oordeel is begrijpelijk. Verdragen zijn nu eenmaal maatwerk. Tegelijkertijd schuurt het met de gedachte achter het gelijkheidsbeginsel. Het hof keek vooral naar de belastingplichtige: twee Nederlandse piloten, vergelijkbare werkzaamheden en een vergelijkbare fiscale problematiek. De Hoge Raad kijkt juist naar de achtergrond van het beleid en de vrijheid van de beleidsmaker. Daarmee verschuift de aandacht van de positie van de belastingplichtige naar de vrijheid van de beleidsmaker.
Voor de fiscale praktijk is dat relevant. Belastingplichtigen die zich beroepen op begunstigend beleid in een andere verdragsrelatie, zullen niet snel kunnen volstaan met de stelling dat hun feitelijke positie vergelijkbaar is. Wanneer bepaald begunstigend beleid bewust is gekoppeld aan bepaalde verdragslanden, zal de rechter de staatssecretaris veel ruimte laten om die afbakening te maken. Dat geldt temeer wanneer de beleidsregel verband houdt met de bijzondere fiscale, economische of diplomatieke context van specifieke landen.
Tegelijkertijd raakt dit arrest aan een bredere vraag. Wat blijft er over van een beroep op het gelijkheidsbeginsel als beleid prevaleert? Want als beleidsvrijheid het vertrekpunt is, wordt het voor belastingplichtigen lastig om via het gelijkheidsbeginsel aansluiting te zoeken bij begunstigend beleid dat voor anderen wél geldt.
De uitkomst van deze zaak zal daarom vermoedelijk niet veel stof doen opwaaien. De onderliggende gedachte mogelijk wel. Het arrest roept de vraag op of de nadruk vaker komt te liggen op de vrijheid van de beleidsmaker en steeds minder op de positie van de belastingplichtige. Daarmee heeft deze piloot zijn vlucht naar het gelijkheidsbeginsel gemist.
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:917
[1] HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:917.
[2] Hof Arnhem-Leeuwarden 16 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4739.
[3] Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 7 september 2017, nr. IZV 2017-0000015971, Stcrt. 2017, 52188.
