Artikel 2.17 Wet IB 2001 maakt het mogelijk om bepaalde inkomens- en vermogensbestanddelen tussen fiscaal partners toe te rekenen. Alhoewel dit wellicht – vanuit het fiscaal partnerschap – een begrijpelijke ‘gedachte’ is geweest van de wetgever, verhoudt het artikel zich slecht met een aantal formele en sanctierechtelijke aspecten van het fiscale recht.
Waartoe dit in de praktijk kan leiden, blijkt bijvoorbeeld uit een arrest van Hof Amsterdam van 11 januari 2024[1]. Daarin ging het om een belanghebbende en haar echtgenoot die inkomsten uit aanmerkelijk belang ontvingen. Belanghebbende had zelf geen betrokkenheid bij het betreffende aanmerkelijk belang, maar de inkomsten die hieruit voortkwamen werden vanaf een Zwitserse coderekening wel overgemaakt naar de gezamenlijke rekening. Zodoende zag zij daarop dus wel aanzienlijke geldbedragen binnenkomen. De correcties mét vergrijpboeten werden in eerste instantie 50/50 opgelegd. In de loop van de procedure werd ervoor gekozen om de volledige correctie op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001 aan belanghebbende toe te rekenen. In de procedure was aangevoerd dat belanghebbende geen opzet had op het onjuist indienen van de aangiften en dat de boeten moesten worden vernietigd. De rechtbank bleek in eerste instantie niet gevoelig voor dit argument omdat er betalingen op de gezamenlijke rekening waren binnengekomen en belanghebbende daarvan dus kennis droeg. Het hof overwoog echter dat de aan de vergrijpboeten ten grondslag liggende kennis of verwijtbaarheid niet aan belanghebbende kon worden toegerekend op grond van enkel partnerschap. Ook kon haar rol bij de latere wijziging van de verdeling van de inkomsten geen rol spelen bij het beoordelen van de boete. Daarvoor is van belang of belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt van de onjuistheid van de aangifte. Volgens het Hof bleek uit het dossier niet dat belanghebbende ten aanzien daarvan ‘grove schuld’ kon worden verweten. Het hof vernietigde de boetes.
De verdelingsbevoegdheid op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001 resulteerde in de praktijk bij mogelijke boetes nogal eens tot het toebedelen van inkomensbestanddelen aan de partner met de minste betrokkenheid. Daarmee bleek het soms (te) moeilijk voor de Inspecteur om de bewijslat te halen. Ook is het denkbaar dat er ten aanzien van een toe te rekenen post, bijvoorbeeld het box 3 vermogen, een informatiebeschikking wordt opgelegd. Wanneer de informatiebeschikking, na een jarenlange procedure definitief vast komt te staan, kan op grond van de verdelingsbevoegdheid van artikel 2.17 Wet IB 2001 het betreffende inkomensbestanddeel aan de andere ‘fiscaal partner’ worden toebedeeld. Daarmee begint het hele circus weer van voor af aan. De gerealiseerde omkering en verzwaring ziet dan immers op een aanslag die niet langer bestaat.
Dat niet iedereen zulke ‘geintjes’ kan waarderen volgt wel uit een recente uitspraak van Hof Amsterdam[2]. Daarin hadden de belastingplichtigen het ook wel heel erg bont gemaakt. Er werd tot twee keer toe een buitenlandse bankrekening verzwegen. De Inspecteur legde eerst aanslagen op met een 50/50 verdeling en daarbij vergrijpboeten. Vervolgens werd alsnog gekozen voor toerekening aan één van de twee fiscaal partners waarna conform deze toerekening een navorderingsaanslag met vergrijpboete werd opgelegd. Het hof overwoog dat het feit dat (een deel van) het door belanghebbende niet aangegeven vermogen in eerste instantie in de aanslagen van zijn echtgenote was begrepen het opzet van belanghebbende niet wegneemt: “Zijn aangiften waren immers – net als die van de echtgenote – onjuist omdat de aangehouden vorderingen en contanten opzettelijk niet bij de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen waren opgenomen.”
De hieropvolgende overweging van het hof, verraadt dat het hof met een andere uitkomst – gezien de situatie – niet goed kon leven: “Deze andere uitkomst zou er immers toe kunnen leiden dat belastingplichtige partners die gezamenlijk belastbaar inkomen uit sparen en beleggen niet hebben aangegeven na de boeteoplegging naar willekeur de toedeling van de grondslag van die boete kunnen wijzigen (via een keuze tot wijziging van de onderlinge verhouding van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen op de voet van artikel 2.17, lid 4 Wet IB 2001) en daarmee de volledige boete van één van hen kunnen ontlopen, zonder risico op een corresponderende beboeting van de ander. Dit terwijl deze nieuwe toedeling geen enkele wijziging brengt in de verwijtbaarheid van ieders gedragingen noch in de belastingontduiking waartoe deze strekte.”
Het is de vraag of een dergelijke uitkomstgedreven benadering de toets in cassatie kan doorstaan. Het Hof gaat hierin wel erg ver in een ‘toerekening’ die zich niet verhoudt met de leer waar de Hoge Raad in 2006 al afscheid van heeft genomen: hoe onwenselijk ook, opzet en grove schuld worden zonder het daarvoor benodigde bewijs niet toegerekend. Het hof heeft zich daar echter niet door laten weerhouden, maar moet hebben gedacht: Zo zijn we niet getrouwd!
[1] Hof Amsterdam 11 januari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1176
[2] Hof Amsterdam 4 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3427
