In de uitspraak van het CBB (hierna: College) worden twee onderdelen besproken die ik – in breder verband – lezenswaardig vind: (i) de meldingsplicht ex art. 16 Wwft en (ii) het beroep op aanstaande Europese wetgeving die een verschuiving van ongebruikelijke naar “verdachte” transacties inhoudt.
In art. 16 Wwft is bepaald dat een instelling een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden, meldt aan FIU-Nederland. [1] Op grond van de Kamerstukken wordt onder onverwijld ook verstaan: binnen veertien dagen daarna.[2] Onder een ongebruikelijke transactie wordt verstaan de transactie die op grond van de wettelijk vastgestelde indicatoren als ongebruikelijk is aan te merken.[3] In een bijlage bij het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 zijn indicatoren (objectief of subjectief) neergelegd om vast te stellen of van een ongebruikelijke transactie sprake is. Bij een objectieve indicator hoeft er geen vermoeden te zijn dat de transactie kan zien op witwassen. Bij een subjectieve indicator is het evenwel aan de instelling zelf om te bepalen of zij aanleiding heeft te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen.
In de praktijk zien (potentieel) meldingsplichtigen (waaronder accountants en belastingadviseurs) zich met name bij de subjectieve indicator voor de vraag gesteld of wel of niet een meldingsplicht bestond. [4]
Ook in deze zaak was in geschil of de instelling ten tijde van een transactie op 6 september 2018 [5] onverwijld had moeten veronderstellen dat die transactie verband kon houden met witwassen en daardoor een meldingsplicht was ontstaan.
Aan de transactie lagen twee facturen ten grondslag. In het kort hadden die facturen betrekking op kosten die in rekening waren gebracht voor verleende consultancydiensten. [6] Daarbij is – ter zake het wel of niet bestaan van een meldingsplicht – het volgende van belang.
Op 22 november 2018 heeft de instelling een incidentmelding gedaan aan DNB en FIU-Nederland. Onder een incidentmelding wordt verstaan: een gedraging of gebeurtenis die een ernstig gevaar vormt voor de integere uitoefening van het bedrijf. Dat is een open norm, waartoe een instelling verplicht kan zijn. Het ‘lastige’ voor de instelling is vaak dat zij een incidentmelding doet – omdat anders het risico op beboeting bestaat. Naar aanleiding van die incidentmelding heeft DNB in deze zaak een onderzoek gestart, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van bevindingen uit november 2019. Op basis van de bevindingen van DNB heeft de instelling de transactie vervolgens alsnog als ongebruikelijk gemeld bij de FIU.
Namens de instelling is in deze procedure betoogd dat – ondanks de door DNB/de rechtbank genoemde omstandigheden en factoren – voor haar geen aanleiding bestond om te veronderstellen dat de transactie verband kon houden met witwassen. Om die reden bestond er ook geen meldingsplicht. De instelling wees er onder meer op dat zij over voldoende informatie beschikte om te concluderen dat de transactie niet ongebruikelijk was. Zij kende de context van de transactie die verband hield met consultancykosten en had daarnaar nader onderzoek gedaan. Ook paste de transactie in het transactieprofiel van de cliënt. [7]
Het College concludeert dat het bepaalde in art. 16 Wwft overtreden is, omdat voormelde melding niet onverwijld was gedaan. Daartoe is met name redengevend dat ook na het (nadere) onderzoek door de instelling, onduidelijkheden waren blijven bestaan en de instelling ten tijde van de transactie aanleiding had te veronderstellen dat de transactie verband kon houden met witwassen, waardoor de transactie onverwijld had moeten worden gemeld. [8] Daarvoor wordt een geldboete van (uiteindelijk) € 72.500,- opgelegd. [9]
In de uitspraak is te lezen dat het College ook vaststelt niet uit te kunnen sluiten dat alle informatie die de instelling heeft verkregen (of alsnog zou kunnen verkrijgen), met zich brengt dat de transactie achteraf bezien niet ongebruikelijk is. Kan de instelling – tegen de achtergrond van deze vaststelling – werkelijk worden tegengeworpen dat het ongebruikelijke karakter onverwijld vaststond? Ik vind die overweging zich moeizaam verhouden tot de ‘harde’ conclusie dat het nadere onderzoek ontoereikend was. In het kader van de opportuniteit van de boete, was een andere uitkomst mijns inziens denkbaar geweest.
Dat brengt mij ook bij de nieuwe antiwitwasverordening. Hoewel het College het beroep op deze toekomstige wetgeving met een enkele pennenstreek afdoet – onder de motivering dat de gunstigere regelgeving nog niet is ingevoerd en het onverminderd gaat om de norm die ten tijde van de overtreding gold [10] – valt over die wetgeving iets meer te zeggen.
Op 30 mei 2024 is de nieuwe antiwitwasverordening [11] aangenomen, die met ingang van 10 juli 2027 rechtstreeks van toepassing is. De voorschriften uit de Verordening treden in de plaats van de thans in de Wwft opgenomen bepalingen. [12] Eén van die voorschriften brengt mee dat het systeem van “ongebruikelijke” transacties wijzigt naar een meldingsplicht voor “verdachte” transacties (art. 69 AMLR).[13]
Hoewel momenteel dus nog een lagere meldingsgrens geldt, zou deze toekomstige wetgeving mogelijk tot een andere uitkomst in deze zaak hebben geleid. Helaas mocht dat deze instelling niet baten.
ECLI:NL:CBB:2025:372, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23/1824 en 24/107
[1] Daarover mag de cliënt niet worden geïnformeerd. Zie Art. 23 lid 1 aanhef en onder a Wwft.
[2] Kamerstukken II 2007/08, 31 238, nr. 3, p. 27-28.
[3] Zie art. 1 lid 1 jo. art. 15 lid 1 Wwft.
[4] Ter illustratie: de FIU-Nederland ontving in 2023 ruim 2,3 miljoen meldingen van ongebruikelijke transacties. Daarvan bleven 180.000 verdachte transacties over, waarvan 90% gemeld was op grond van de subjectieve indicator. In 2024 waren dit er bijna 3,5 miljoen resp. (ruim) 118.000, waarvan 86% was gemeld op grond van de subjectieve indicator. Zie FIU-Nederland, [5] ‘Jaaroverzicht 2023’, gepubliceerd op 28 juni 2024, resp. ‘Jaaroverzicht 2024’, gepubliceerd op 2 juli 2025.
[5] Omwille van de leesbaarheid hierna telkens aangeduid als: de transactie. Om diezelfde reden wordt onder onverwijld hier telkens (ook) verstaan: of binnen veertien dagen daarna.
[6] Uit de uitspraak maak ik op dat ook sprake was van onderliggende facturen van factuur één resp. factuur twee (zie rov. 1.5.).
[7] Op het feitencomplex in deze zaak ga ik beperkt in. Zie daarvoor uitgebreid CBB 15 juli 2025, ECLI:NL:CBB:2025:372, rov. 2.2.-2.4. en 5.4.
[8] Rov. 5.4.
[9] DNB had een geldboete van € 100.000,- opgelegd. Het College acht een geldboete van € 75.000,- passend en geboden. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn is dit bedrag gematigd.
[10] Rov. 5.3.2. Zie over het lex mitior-beginsel en bestuurlijke boetes nader HvJ EU 1 augustus 2025, ECLI:EU:C:2025:614.
[11] Verordening (EU) 2024/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering, pbEU L 2024/1624 van 19 juni 2024. AMLR staat voor Anti Money Laundering Regulation.
[12] Artikel 90 AMLR.
[13] Zie daarover reeds preambule van Richtlijn 91/308/EEG van de Raaf van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen van geld (overweging 15).
