In een recente uitspraak ziet Hof Den Haag zich gesteld voor een opmerkelijke procesrechtelijke situatie. De verdachte wordt als feitelijk leidinggever vervolgd wegens het opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting door zijn vennootschap. Het hof verwerpt de verweren omtrent schending van het Protocol AAFD, acht het opzet bewezen en komt tot de conclusie dat de aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2017 opzettelijk onjuist is gedaan. Toch volgt geen veroordeling, maar ontslag van alle rechtsvervolging.

Het bijzondere is dat de oorzaak daarvan niet in het bewijs, maar in de tenlastelegging ligt. De tenlastelegging verwijst namelijk naar het oude artikel 68 AWR en bevat het inmiddels vervallen gevolgbestanddeel dat het feit ertoe kan leiden dat te weinig belasting wordt geheven. Dat bestanddeel is echter reeds per 1 januari 1998 vervangen door het huidige strekkingsvereiste van artikel 69 lid 2 AWR. Waar het oude criterium zag op de enkele mogelijkheid van benadeling, verlangt het huidige recht dat het feit naar objectieve maatstaven bezien ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Het hof benadrukt dat de wetgever met de invoering van het strekkingsvereiste de strafbaarheidsgrens juist heeft willen aanscherpen. Daarmee gaat het niet slechts om een terminologische wijziging, maar om een wezenlijk andere delictsomschrijving. Nu de tenlastelegging uitsluitend het vervallen gevolgbestanddeel bevat, ontbreekt uiteindelijk een geldige strafrechtelijke kwalificatie. Het bewezenverklaarde levert daarom geen strafbaar feit op.

De uitspraak illustreert het belang van een correct geformuleerde tenlastelegging, juist in fiscale strafzaken waarin jarenlang kan worden geprocedeerd. Opvallend is dat deze onjuistheid kennelijk zowel in eerste aanleg als gedurende het hoger beroep onopgemerkt is gebleven. Het hof komt daardoor in de weinig alledaagse positie terecht dat het enerzijds tot een bewezenverklaring van belastingfraude komt, maar anderzijds geen andere mogelijkheid ziet dan ontslag van alle rechtsvervolging.

Naast dit procesrechtelijke punt bevat het arrest nog twee interessante overwegingen. Ten eerste bevestigt het hof dat een aan een rechtspersoon opgelegde vergrijpboete niet zonder meer in de weg staat aan strafvervolging van een natuurlijke persoon als feitelijk leidinggever. Onder verwijzing naar HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:364, benadrukt het hof opnieuw dat rechtspersoon en feitelijk leidinggever in beginsel afzonderlijke rechtssubjecten zijn. Ten tweede blijkt uit de toepassing van het Protocol AAFD dat ook bij een fiscaal nadeel onder de € 100.000 strafrechtelijke afdoening mogelijk blijft indien aanvullende wegingscriteria aanwezig zijn. Het hof acht in dit geval zowel de combinatie met andere delicten als de betrokkenheid van een adviseur voldoende om strafrechtelijke vervolging te rechtvaardigen.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1909