Op 8 januari 2026 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) arrest gewezen in de zaak Ferrieri en Bonassisa tegen Italië. De zaak betreft twee Italiaanse belastingplichtigen die door hun bank waren geïnformeerd dat de Italiaanse fiscus (Agenzia delle Entrate) had verzocht om inzage in hun bankgegevens. Op grond van bepalingen in het Italiaanse fiscaal recht was de Italiaanse fiscus bevoegd om banken te verplichten gegevens te verstrekken voor fiscale doeleinden. Gelet op deze wettelijke verplichting hebben de banken aan het verzoek gehoor gegeven. De Italiaanse belastingplichtigen stellen dat de Italiaanse fiscus, met het opvragen van de bankafschriften zónder dat enige rechterlijke toetsing voor de belastingplichtigen mogelijk was, het recht op respect voor het privéleven heeft geschonden zoals beschermd door artikel 8 EVRM.

Het EHRM stelt voorop dat dat bankgegevens persoonlijke gegevens zijn die vallen onder de bescherming van het privéleven in de zin van artikel 8 EVRM. Daarbij maakt het EHRM geen onderscheid tussen privé- en zakelijke bankgegevens. Ook financiële informatie die betrekking heeft op beroeps- of zakelijke activiteiten kan onder het begrip “private life” vallen:

“54. (..) Moreover, such information may also concern professional dealings, and there is no reason of principle to justify excluding activities of a professional or business nature from the notion of private life”

Het inzage nemen in en analyseren van bankafschriften door de fiscale autoriteiten vormt dan ook een inmenging in het recht op bescherming van het recht op het privéleven in de zin van artikel 8 EVRM. Een dergelijke inmenging is slechts verenigbaar met artikel 8 EVRM indien de inmenging wettelijk verankerd is, toegankelijk en voorzienbaar is én voldoet aan de eisen van de rechtsstaat – de zogenoemde toets van ‘quality of law’:

“82. (..) The existence of sufficient procedural safeguards capable of protecting the applicants against any abuse or arbitrariness”

Volgens het EHRM voldoet de regeling niet aan deze vereisten, nu de relevante bepalingen slechts in algemene termen verwijzen naar het doel van fiscale controle en het beoordelen van de naleving van belastingverplichtingen. Daarmee geeft de wet de Italiaanse fiscus een ongereguleerde bevoegdheid. De aanwezigheid van interne regels kunnen een wettelijke bevoegdheid nader invullen, maar deze waren niet bindend of afdwingbaar. Het besluit van de Italiaanse fiscus om bankgegevens op te vragen kon bovendien niet worden aangevochten. Er was slechts sprake van een interne autorisatie. Een voorafgaande (ex ante) onafhankelijke of rechterlijke toetsing ontbrak echter volledig. De fiscale rechter kon de interne autorisatie niet zelfstandig toetsen, omdat deze niet als een appellabel besluit werd aangemerkt. De belastingplichtigen konden weliswaar nog terecht bij een zogenoemde “Taxpayer’s Guarantor” maar deze had geen bindende bevoegdheid en kon slechts aanbevelingen doen.

Daarmee ontbreekt volgens het EHRM een effectieve, onafhankelijke en tijdige toetsing en is sprake van een niet met artikel 8 EVRM verenigbare inmenging:

“105. The Court concludes that even if there could be said to be a general legal basis for the impugned measures in Italian law, that law does not meet the quality requirements imposed under the Convention. In particular, even taking into account the Contracting States’ broad margin of appreciation in respect of bank data, that is to say purely financial information (see paragraph 58 above), and the importance of the aim of similar measures in the field of taxation (see paragraph 73 above), the Court considers that the domestic legal framework afforded the domestic authorities unfettered discretion with regard to both the conditions in which the contested measures could be implemented and the scope of those measures. At the same time, that framework did not provide sufficient procedural safeguards, as the contested measures were not subjected to a judicial or independent review. Therefore, the domestic legal framework did not provide the applicants with the minimum degree of protection to which they were entitled under the Convention. The Court finds that in these circumstances, it cannot be said that the interferences in question were “in accordance with the law” as required by Article 8 § 2 of the Convention.”

Het EHRM bekritiseert in deze zaak met name de ruime en nauwelijks begrensde bevoegdheid van de Italiaanse fiscus en het ontbreken van enige onafhankelijke of rechterlijke toetsing ten aanzien van het informatieverzoek. Een duidelijke parallel kan worden getrokken met het Nederlandse informatieverzoek aan derden (bijvoorbeeld de bank) ex artikel 52 AWR. Anders dan bij een informatieverzoek op grond van artikel 47 AWR aan de belastingplichtige zelf – waartegen via de informatiebeschikking wél kan worden opgekomen – biedt een informatieverzoek aan derden geen vergelijkbare rechtsbescherming; slechts tegen de eventuele kostenbeschikking achteraf staat ex art. 52a lid 5 AWR bezwaar open. Dit bezwaar staat bovendien niet open voor de belastingplichtige, maar voor de derde aan wie het informatieverzoek is gericht. Ook in Nederland kan de belastingplichtige het verzoek aan de derde aldus niet effectief of tijdig aanvechten en ontbreekt een ex ante rechterlijke toetsing van de proportionaliteit of noodzaak van het verzoek.

Daarmee rijst de vraag of de huidige Nederlandse regeling – gezien haar eveneens brede formulering en het ontbreken van directe rechtsbescherming – wellicht evenmin voldoet aan de door het EHRM geformuleerde quality‑of‑law‑vereisten. Tegen deze achtergrond dringt zich de vraag op of een herbezinning op de Nederlandse regeling noodzakelijk is, om te waarborgen dat ook hier de fiscale informatiebevoegdheden ten aanzien van derden voldoen aan de EVRM‑normen en de belastingplichtige de minimumbescherming geniet die het EHRM verlangt.

https://media.licdn.com/dms/document/media/v2/D4E1FAQHsNZkLqT7D7A/feedshare-document-pdf-analyzed/B4EZuiB.ExGcAY-/0/1767949985973?e=1769040000&t=khmOA7jKEM_irqI1KeM_1ekwZ_fkydvEgu1U_0RzVRM&v=beta