In deze zaak beoordeelt de rechtbank een klaagschrift ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering (Sv) tegen de beslaglegging door het Openbaar Ministerie op een digitale wallet van een crypto-investeerder, met daarin een bedrag van 17,42100300 bitcoin met een tegenwaarde van ruim één miljoen euro. Het beslag is gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar georganiseerd witwassen. De wallet is overgeboekt naar het Openbaar Ministerie.
Het vermoedt witwassen, mede op basis van Sky ECC-chats waarin sprake is van drugsgerelateerde cryptotransacties met een link naar Nederland.
Het Openbaar Ministerie stelt dat het beslag rechtmatig is en dat er sprake is van een redelijke verdenking van witwassen. De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig maakt aan witwassen door criminele opbrengsten om te zetten in cryptovaluta. In het bijzonder draait het om transacties die verband houden met drugshandel. Uit het strafdossier blijkt volgens het Openbaar Ministerie voldoende dat het vermogen in de wallet deels van misdrijf afkomstig is. Daarbij beroept het Openbaar Ministerie zich op via communicatie op het versleutelde netwerk Sky ECC waarin onder meer wordt gesproken over geldstromen en QR-codes van wallets.
Ten aanzien van de bevoegdheid stelt het Openbaar Ministerie dat Nederland rechtsmacht toekomt. De beslaglegging had, gelet op die rechtsmacht, niet via een rechtshulpverzoek hoeven verlopen. Voorts wordt betoogd dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave, mede omdat het Openbaar Ministerie de verbeurdverklaring van de cryptovaluta beoogt te vorderen.
De verdediging voert aan dat het beslag onrechtmatig is. Volgens de raadsman is de beslaglegging op het grondgebied van de Kaaimaneilanden geschied zonder een daartoe vereist rechtshulpverzoek, waardoor het beslag in strijd is met internationaal recht. Bovendien betoogt de verdediging dat het overgrote deel van de bitcoins in de wallet een legale herkomst heeft en dus niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.
De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek naar aanleiding van een klaagschrift weliswaar een summier karakter heeft: het doel is niet om vooruit te lopen op de uitkomst van een nog te voeren strafzaak of ontnemingsprocedure. Ten aanzien van de bevoegdheid oordeelt de rechtbank evenwel dat uit de Sky ECC-gesprekken blijkt dat minimaal één transactie van een tegenwaarde van 3.209,50 dollar, die de wallet van klager heeft gevoed, verband houdt met Nederland. De rechtbank acht daarmee aannemelijk dat Nederland ten aanzien van die transactie rechtsmacht toekomt. Voorts komt de rechtbank tot de conclusie dat voor een beperkt deel van de wallet, namelijk ter waarde van 3.209,50 dollar, voldoende aannemelijk is dat deze crypto-opbrengst uit criminele activiteiten afkomstig is en dat het belang van strafvordering zich tegen opheffing van het beslag op dit deel verzet. Voor het overige deel van de wallet is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat deze cryptovaluta van criminele herkomst zijn. De rechtbank acht van belang dat sinds het beslag in 2021 ruimschoots tijd is geweest voor het Openbaar Ministerie om dit te onderzoeken, maar dat geen concrete aanwijzingen zijn overgelegd die dat kunnen staven. Enkel het feit dat een klein deel van de wallet vermoedelijk uit misdrijf afkomstig is, rechtvaardigt niet dat het gehele bedrag wordt aangemerkt als van misdrijf afkomstig. De rechtbank verklaart het beklag gegrond voor het bedrag boven de tegenwaarde van 3.209,50 dollar en gelast de teruggave van de cryptovaluta, te weten 17,42100300 bitcoin, minus de bitcoinwaarde van 3.209,50 dollar.
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:14887
