Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in deze zaak dat belanghebbende, een vennootschap onder firma, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het nultarief terecht is toegepast op twaalf intracommunautaire leveringen. Daarnaast was er geen sprake van een pleitbaar standpunt. Volgens het hof had belanghebbende – mede gezien eerdere waarschuwingen van de Belastingdienst – moeten weten dat zij betrokken raakte bij een btw-fraudeketen. De naheffingsaanslagen en de vergrijpboeten, die door de rechtbank reeds waren verlaagd, blijven in stand. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Belanghebbende hield zich bezig met de aan- en verkoop van (schade)auto’s. In 2017 en 2018 verkocht belanghebbende twaalf voertuigen aan een partij in Hongarije. Daarbij past zij het nultarief toe voor intracommunautaire leveringen. Uit inlichtingen van de Hongaarse autoriteiten blijkt dat de opgegeven afnemer geen enkele intracommunautaire verwerving heeft aangegeven, dat de onderneming was gevestigd op een zogenoemd ‘seat-provider-adres’ en in 2019 was uitgeschreven uit het handelsregister. Bovendien waren veel betalingen contant verricht en verliep het contact via een persoon van wie belanghebbende niet had geverifieerd of hij bevoegd was namens de gestelde afnemer op te treden. De inspecteur meent dat belanghebbende onvoldoende onderzoek heeft gedaan, te meer omdat eerder al signalen aan haar waren teruggekoppeld over verhoogde fraudegevoeligheid bij afhaaltransacties.
Belanghebbende stelt daartegenover dat zij een omvangrijk dossier had opgebouwd – met onder meer VIES-uitdraaien, Hongaarse uittreksels, ID-kopieën, vervoersverklaringen en Google Maps-afbeeldingen. Zij stelt dat zij hiermee heeft voldaan aan de aanwijzingen die de Belastingdienst in eerdere correspondentie gaf over de documenten die kunnen bijdragen aan het onderbouwen van het nultarief. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij erop mocht vertrouwen dat zij het nultarief mocht toepassen op deze leveringen en dat er sprake is van een pleitbaar standpunt.
Het hof volgt belanghebbende niet in deze verweren. Uit de dossiers blijkt geen enkel aantoonbaar contact met de beweerde afnemer. De kopie van het identiteitsbewijs van de vermeende bestuurder is slechts eenmaal verkregen en vervolgens bij iedere transactie opnieuw gebruikt, zonder verificatie. De exportbewijzen staan bovendien op naam van de afhaler, niet op naam van de afnemer. De Google-Maps-afdruk toont een pand met een geheel andere bedrijfsnaam. Ook de betalingen kunnen niet overtuigend aan de afnemer worden gelinkt. Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat daadwerkelijk aan een belastingplichtige afnemer in Hongarije is geleverd. Aan de materiële voorwaarden voor de toepassing van het nultarief is niet voldaan, aldus het hof.
Zelfs indien belanghebbende wel in de op haar rustende bewijslast was geslaagd en aannemelijk had gemaakt dat aan de materiële voorwaarden voor toepassing van het nultarief was voldaan, geldt volgens het hof dat toepassing van het nultarief mag worden geweigerd omdat belanghebbende had moeten weten dat zij deelnam aan een keten waarin omzetbelastingfraude werd gepleegd. De duidelijke aanwijzingen hiervoor – afhaaltransacties, contante betalingen, een onbevoegde tussenpersoon, inconsistenties in de stukken en eerdere waarschuwingen van de Belastingdienst – hadden een zorgvuldig handelend ondernemer moeten aanzetten tot nader onderzoek. Dit heeft belanghebbende volgens het hof echter nagelaten.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het pleitbaar-standpuntverweer falen evenzeer. Het hof acht grove schuld aanwezig en de door de rechtbank reeds gematigde boeten blijven in stand.
ECLI:NL:GHARL:2025:6775, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24/1309 en 24/1310
