Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde op 31 juli 2025 over de aan X opgelegde (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2015, 2017 en 2018, een naheffingsaanslag OB voor 2016 tot en met 2018 en een verliesvaststellingsbeschikking voor 2016. Aanleiding vormde een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke accijnsfraude met waterpijptabak. Hoewel de naheffingsaanslag accijns werd vernietigd, startte de inspecteur een boekenonderzoek naar de aangiften IB en OB van X.
De inspecteur was van oordeel dat de administratie ernstig gebrekkig was: kas- en agendasystemen sloten niet aan, facturen ontbraken en opbrengsten waren onvolledig verwerkt. Daarmee voldeed X niet aan de administratieplicht van art. 52 AWR. Op basis van een vermogensvergelijking concludeerde de inspecteur dat X over veel meer middelen beschikte dan uit de aangiften bleek. De inspecteur legt daarom navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw, naheffingsaanslagen OB en een vergrijpboeten op. X ging in beroep.
In het geschil bij de rechtbank stond onder meer ter beoordeling of de inspecteur terecht de bewijslast heeft omgekeerd en verzwaard wegens het niet doen van de vereiste aangiften. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat X bewust te lage aangiften heeft gedaan. De vermogensvergelijking toonde aanzienlijke negatieve netto privéposities, die niet plausibel verklaard konden worden. De stelling van X dat het ging om leningen werd onvoldoende onderbouwd. Ook de administratie bood geen aanknopingspunten voor een andere conclusie. Daarmee was omkering en verzwaring van de bewijslast gerechtvaardigd en de inspecteur heeft het inkomen vervolgens op redelijke wijze geschat.
Het beroep op schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zorgvuldigheid, motivering, vertrouwensbeginsel en fair play) faalt. Ook het beroep op het una via- en ne bis in idem-beginsel bij de boeten slaagt niet, nu de strafrechtelijke vervolging betrekking heeft op andere feiten (accijns) dan de fiscale boeten (inkomstenbelasting).
Wat betreft de boeten oordeelt de rechtbank genuanceerd. Voor 2015 wordt de vergrijpboete vernietigd, omdat het niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat het ontvangen bedrag van
€ 84.925 geen lening betrof. Voor 2017 en 2018 acht de rechtbank wel overtuigend bewezen dat sprake is van opzettelijk niet aangegeven inkomen. Gezien de toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast en vanwege overschrijding van de redelijke termijn, worden de boeten evenwel gematigd tot € 21.250 (2017) en € 4.250 (2018).
De aanslagen IB/PVV, Zvw en OB, evenals de verliesvaststellingsbeschikking 2016, blijven in stand. X ontvangt een immateriële schadevergoeding van € 2.000 wegens termijnoverschrijding, te verdelen tussen de inspecteur en Staat en een proceskostenvergoeding van € 3.108.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5055
ECLI:NL:RBZWB:2025:5055, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, BRE 23/2458 tot en met 23/2465
