In een recent arrest oordeelt de Hoge Raad dat het nalaten van het opnemen van een behandelvoornemen in het computersysteem van de Belastingdienst een fout vormt als bedoeld in artikel 16 lid 2, aanhef en letter c AWR.
Belanghebbende vervreemdt in 2016 zijn aandelen in een holdingvennootschap voor € 604.000. De koopprijs blijft volledig schuldig. Over de fiscale verwerking van de vervreemding ontstaat discussie. In augustus 2018 verzoekt de gemachtigde de inspecteur om een standpuntbepaling en stelt voor het vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang vast te stellen op € 501.000. Daarbij wordt expliciet vermeld dat nog geen aangifte IB/PVV 2016 is ingediend vanwege onzekerheid over de omvang van de vervreemdingswinst en dat aangifte zal worden gedaan zodra daarover duidelijkheid bestaat. De inspecteur stemt op 10 september 2018 met het voorstel in.
Die aangifte komt vervolgens niet. De inspecteur legt daarom op 5 januari 2019 ambtshalve een primitieve aanslag op. Daarbij wordt echter geen inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen. Vaststaat dat de Belastingdienst beschikte over de eerdere correspondentie en dat het ontbreken van het vervreemdingsvoordeel berust op het feit dat de aanslagregelend ambtenaar heeft nagelaten een behandelvoornemen in het systeem op te nemen. Eveneens is nagelaten de voortgang van het aanslagproces handmatig te monitoren. In juni 2020 volgt een navorderingsaanslag.
Tussen partijen is niet in geschil dat een nieuw feit ontbreekt. De discussie spitst zich dan ook toe op artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR: is sprake van een kenbare fout die navordering mogelijk maakt?
Het Hof beantwoordt die vraag ontkennend. Weliswaar is volgens het Hof sprake van een fout in de ruime en neutrale betekenis van dat begrip, maar die fout kwalificeert uiteindelijk als een beoordelingsfout. Naar het oordeel van het Hof heeft de aanslagregelend ambtenaar klaarblijkelijk nagelaten kennis te nemen van de bij de Belastingdienst aanwezige informatie over de aandelenvervreemding. Bij zorgvuldige dossiervorming en dossierraadpleging zou deze onvolledige feitenkennis zich niet hebben voorgedaan. Daarmee is volgens het Hof sprake van een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten die bepalend zijn voor de belastingschuld, zodat navordering op grond van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR niet mogelijk is.
De Hoge Raad ziet dat anders.
Onder verwijzing naar zijn arrest van 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1203 herhaalt de Hoge Raad dat het begrip “fout” in artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR neutraal en ruim moet worden uitgelegd. Daaronder vallen niet alleen schrijf-, reken- en intoetsfouten, maar ook fouten die samenhangen met geautomatiseerde aanslagverwerking. Beslissend is vervolgens dat het nalaten een behandelvoornemen in het computersysteem op te nemen volgens de Hoge Raad zelf reeds een fout in die ruime en neutrale betekenis vormt. De Hoge Raad sluit daarmee aan bij eerdere rechtspraak waarin de Hoge Raad eveneens een ruime uitleg heeft gegeven aan het foutbegrip van artikel 16 lid 2, onderdeel c, AWR (HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1203, BNB 2018/152, HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1529, BNB 2014/202 en HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1528, BNB 2014/203). Ook het niet blokkeren van geautomatiseerde aanslagverwerking, het niet registreren van een boekenonderzoek of het niet opvolgen van administratieve instructies kon reeds als een fout worden aangemerkt. Tegen die achtergrond ligt het voor de hand dat ook het achterwege laten van een behandelvoornemen hieronder wordt gebracht.
Interessant is vooral de redenering waarmee de Hoge Raad het oordeel van het Hof corrigeert. Volgens de Hoge Raad moet worden gekeken naar het moment waarop het geautomatiseerde proces van het opleggen van de primitieve aanslag niet is gestopt. Op dat moment doet zich de relevante fout voor: het nalaten een behandelvoornemen op te nemen in het computersysteem van de Belastingdienst, is volgens de Hoge Raad aan te merken als een fout. Tegen die achtergrond acht de Hoge Raad het niet van belang dat bij het vaststellen van de aanslag geen kennis is genomen van de eerdere akkoordverklaring over de omvang van het vervreemdingsvoordeel. Het niet meenemen van het vervreemdingsresultaat is volgens de Hoge Raad het gevolg van de systeemfout en niet van een onjuiste beoordeling van de feiten.
Daarmee kiest de Hoge Raad nadrukkelijk voor een technische benadering van het foutbegrip. Het Hof keek naar de oorzaak: een ambtenaar had beschikbare informatie niet geraadpleegd en daardoor de feiten niet onderkend. De Hoge Raad knoopt daarentegen aan bij de concrete verstoring in het aanslagproces zelf: het ontbreken van een behandelvoornemen waardoor het geautomatiseerde proces ongehinderd kon doorlopen. Dat maakt de zaak eerder vergelijkbaar met een administratieve of geautomatiseerde misslag dan met een inhoudelijke beoordeling van de belastingschuld.
De betekenis van dit arrest reikt verder dan de voorliggende casus. In de praktijk wordt regelmatig gedebatteerd over de grens tussen enerzijds een fout die navordering rechtvaardigt en anderzijds een beoordelingsfout die voor rekening van de fiscus blijft. Dit arrest bevestigt dat die grens niet wordt overschreden enkel omdat achter een systeemfout menselijk handelen schuilgaat. Dat een ambtenaar heeft verzuimd een behandelvoornemen vast te leggen, betekent volgens de Hoge Raad nog niet dat sprake is van een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten. De vraag is (kennelijk) niet of de informatie ergens binnen de Belastingdienst beschikbaar was, maar welke gebeurtenis ertoe heeft geleid dat de aanslag uiteindelijk op een te laag bedrag is vastgesteld. Daarmee lijkt het foutbegrip weer verder te worden opgerekt.
De ruimte voor belastingplichtigen om zich met succes op een beoordelingsfout te beroepen blijft beperkt. Indien het onjuiste aanslagbedrag (uiteindelijk) kan worden herleid tot een verstoring in een geautomatiseerd of administratief proces, zal de inspecteur al snel kunnen betogen dat sprake is van een fout in de zin van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR. Dat geldt temeer nu de Hoge Raad opnieuw benadrukt dat dit begrip ruim en neutraal moet worden opgevat. Wie navordering wil bestrijden, zal het niet kunnen zoeken in de enkele omstandigheid dat de inspecteur beschikte over de relevante feiten. Doorslaggevend blijft kennelijk de daadwerkelijke oorzaak van de te lage aanslag. Is dat uiteindelijk een administratieve of geautomatiseerde misslag, dan biedt artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR de inspecteur een reddingsboei. Is de daadwerkelijke oorzaak wél gelegen in een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten of het recht, zou dit kunnen leiden tot de aanwezigheid van een ambtelijk verzuim hetgeen aan navordering in de weg staat.
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1296
