In een recente uitvoerige conclusie gaat A‑G Koopman in op een aantal klassieke thema’s uit het belastingprocesrecht. De zaak betreft een belastingplichtige die gedurende een reeks van jaren geen aangifte heeft gedaan, waarna de inspecteur ambtshalve aanslagen heeft opgelegd op basis van een schatting, waarbij is aangesloten bij eerdere – inmiddels onherroepelijk vaststaande – aanslagen. Tegen die achtergrond komen achtereenvolgens de omkering en verzwaring van de bewijslast, de reikwijdte van artikel 8:42 Awb en de oplegging van vergrijpboetes aan de orde.
De A‑G neemt als uitgangspunt dat bij het niet doen van de vereiste aangifte de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast toepassing vindt. In dat kader wordt opnieuw aandacht besteed aan de vraag of deze sanctie een ‘criminal charge’ oplevert in de zin van artikel 6 EVRM. In aansluiting op het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2337 stelt de A‑G vast dat daarvan geen sprake is. Daarbij benadrukt hij dat de omkering naar haar aard een bewijsrechtelijke en reparatoire maatregel is, gericht op het opheffen van het door de belastingplichtige veroorzaakte bewijsnadeel aan de zijde van de inspecteur. Dat de maatregel in individuele gevallen als zwaar kan worden ervaren, en dat de daarmee gepaard gaande bewijspositie voor de belastingplichtige moeilijk kan zijn, maakt haar nog niet tot een punitieve sanctie in de zin van artikel 6 EVRM.
De A‑G besteedt in dit verband uitvoerig aandacht aan de in de literatuur geuite twijfel over het niet-punitieve karakter van de omkering. Die twijfel wordt echter niet gevolgd. Doorslaggevend acht de A‑G dat de maatregel niet is gericht op bestraffing, maar op herstel van het evenwicht in de bewijspositie.
Voorts wordt het leerstuk van de op de zaak betrekking hebbende stukken behandeld. In dat kader herhaalt de A‑G de vaste lijn dat artikel 8:42 Awb ziet op alle stukken die de inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van het geschil. De vraag rijst of procesdossiers uit eerdere jaren, waarop de inspecteur bij zijn schatting heeft aangesloten, als op de zaak betrekking hebbende stukken moeten worden aangemerkt.
De A‑G acht het oordeel van het hof dat deze stukken niet onder de reikwijdte van artikel 8:42 Awb vallen, in beginsel niet onbegrijpelijk. Daarbij speelt een rol dat de aanslagen over de latere jaren zelfstandig worden beoordeeld en dat de belastingplichtige geen inzicht heeft gegeven in haar actuele inkomens- en vermogenspositie. Het enkele feit dat de inspecteur aanknoopt bij eerdere jaren, betekent dan niet zonder meer dat de onderliggende procesdossiers uit die jaren van belang zijn voor het onderhavige geschil.
Wel ziet de A‑G aanleiding tot cassatie waar het hof zonder nader onderzoek en zonder hoor en wederhoor heeft aangenomen dat de belastingplichtige zelf over deze stukken beschikt. De A‑G merkt daarbij op dat de verplichting van de inspecteur om stukken over te leggen niet afhankelijk is van de vraag of de wederpartij daar al dan niet over beschikt. In zoverre wordt nogmaals benadrukt dat art. 8:42 Awb een eigen verplichting van de inspecteur bevat, die niet wordt gerelativeerd door de feitelijke positie van de belastingplichtige.
Daarnaast komt de vraag aan de orde of alle bankrenseignementen zijn overgelegd. De A‑G acht het ontoereikend dat het hof deze kwestie onbesproken heeft gelaten. Indien wordt gesteld dat relevante stukken ontbreken, dient de rechter te onderzoeken of dat het geval is en, zo ja, welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden. Daarmee wordt bevestigd dat een zorgvuldige toepassing van artikel 8:42 en artikel 8:31 Awb vergt dat dergelijke stellingen uitdrukkelijk worden beoordeeld.
Een ander punt van betekenis betreft de vergrijpboeten. De A‑G onderschrijft dat de grondslag van de boete mag worden ontleend aan een met toepassing van de omkering vastgestelde belasting. Dat is in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1962. Wel blijft gelden dat de rechter moet beoordelen of de boete, gelet op alle omstandigheden, passend en geboden is.
In dat kader gaat de A‑G expliciet in op de situatie waarin de inspecteur in een vooraankondiging een bepaald boetepercentage noemt (in casu 50%), maar uiteindelijk een hogere boete oplegt. De A‑G acht het oordeel van het hof dat dit geen opgewekt vertrouwen zou opleveren, zonder nadere motivering niet houdbaar. De formulering “ik ben van plan een boete van 50% op te leggen” kan in beginsel aldus worden opgevat dat de inspecteur zich op dat niveau vastlegt, tenzij duidelijk wordt gemaakt dat een verhoging nog mogelijk is. In zoverre onderstreept de conclusie het belang van zorgvuldige formulering van boetevoornemens en de betekenis daarvan voor het vertrouwensbeginsel.
Ten slotte wordt nog aandacht besteed aan de heffing in box 3 in situaties waarin vermogensbestanddelen onderwerp zijn van beslag of verbeurdverklaring. In lijn met bestaande rechtspraak oordeelt de A‑G dat met dergelijke maatregelen pas rekening kan worden gehouden zodra zij onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn. Conservatoir beslag vormt geen schuld en leidt niet tot een vermindering van de rendementsgrondslag. Voor zover dit tot liquiditeitsproblemen leidt, betreft dit naar het oordeel van de A‑G primair een kwestie van de invordering en niet van de heffing.
Gelet op het (grote) aantal klassieke thema’s dat in deze zaak de revue passeert en de implicaties daarvan zal de verdere behandeling van deze zaak bij de Hoge Raad met belangstelling worden gevolgd.
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:411
