Rechtbank Amsterdam verklaart in een fiscale zaak over dividendstripping het bezwaarschrift tegen de dagvaarding gegrond en verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Het betreft een zeldzaam geval waarin een bezwaarschrift tegen de dagvaarding slaagt, niet omdat een veroordeling hoogst onwaarschijnlijk wordt geacht, maar vanwege de wijze waarop het Openbaar Ministerie gebruik heeft gemaakt van zijn vervolgingsbevoegdheid. Uit een interne e-mail leidt de rechtbank af dat vooral de wens om de zaak snel publiek te presenteren de beslissing tot dagvaarding heeft bepaald, zonder dat het belang van de verdediging bij die regiefase is meegewogen. De rechtbank oordeelt dat het Openbaar Ministerie in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde heeft gedagvaard door de verdachte de regiefase bij de rechter-commissaris te ontzeggen en de zaak op publicitaire gronden naar de openbare zitting te brengen. De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk in de vervolging van de uitgebrachte dagvaarding, waarbij uitdrukkelijk sprake is van een herstelbaar vormverzuim. Het Openbaar Ministerie kan pas opnieuw dagvaarden wanneer de regiefase alsnog heeft plaatsgevonden en met de lopende procedures rekening is gehouden.

Opvallend is dat de gegrondverklaring niet is gebaseerd op het door de verdediging gevoerde pleitbaar-standpuntverweer. De rechtbank overweegt juist dat beantwoording van de vraag of sprake is van een pleitbaar standpunt nader feitenonderzoek en debat vergt en zich daarom niet leent voor beoordeling in de bezwaarschriftprocedure.

De beslissing berust op een andere grond. Volgens de rechtbank heeft het Openbaar Ministerie bij de beslissing om tot dagvaarding over te gaan onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de verdediging. Daarbij kent de rechtbank bijzondere betekenis toe aan een interne e-mail van het Openbaar Ministerie waarin wordt gesproken over de wens om de zaak vanwege haar publicitaire gevoeligheid en fiscale complexiteit op een openbare regiezitting te brengen en niet eerst de regiefase bij de rechter-commissaris af te wachten.

Hoewel het Openbaar Ministerie een ruime beslissingsbevoegdheid heeft ten aanzien van de vervolgingsbeslissing en een verdachte geen zelfstandig recht heeft op een regiefase ex art. 181 en 182 Sv, oordeelt de rechtbank dat de officier van justitie ook bij de beslissing tot dagvaarding gebonden is aan de beginselen van een behoorlijke procesorde. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat het Openbaar Ministerie zich met name heeft laten leiden door publicitaire belangen, terwijl niet blijkt dat het belang van de verdediging bij voortzetting van de regiefase voldoende in de afweging is betrokken.

Daarbij weegt mee dat nog een cassatieprocedure loopt over stukken waarop volgens de verdediging verschoningsrecht rust. De rechtbank acht van belang dat deze stukken na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting niet meer uit het dossier kunnen worden verwijderd. Juist daarom bestaat volgens de rechtbank een concreet belang bij voortzetting van de fase bij de rechter-commissaris.

De gekozen sanctie verdient eveneens aandacht. De rechtbank spreekt niet van buitenvervolgingstelling, maar van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de uitgebrachte dagvaarding. Het Openbaar Ministerie kan na herstel van het geconstateerde gebrek opnieuw tot vervolging overgaan. De rechtbank kwalificeert dit aldus als een herstelbaar vormverzuim. Niet het vervolgingsrecht zelf, maar uitsluitend de wijze waarop daarvan gebruik is gemaakt wordt hier gecorrigeerd. De beschikking laat zien dat de ruime vervolgingsvrijheid van het Openbaar Ministerie haar grens kan vinden wanneer de belangenafweging die aan de dagvaardingsbeslissing ten grondslag ligt onvoldoende zorgvuldig is geweest.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6995