In een recente uitspraak van Rechtbank Rotterdam staat de vraag centraal of het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk diende worden verklaard in de vervolging op basis van tussen procespartijen gemaakte procesafspraken. Aanleiding voor deze afspraken vormde een zeer langdurig opsporings- en vervolgingstraject, waarbij tevens twijfel is ontstaan over de mogelijkheid om nog tot een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM te komen.

De zaak betreft een rechtspersoon die wordt verdacht van omkoping van een buitenlandse ambtenaar. Volgens de tenlastelegging heeft de verdachte in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 7 september 2006, al dan niet in vereniging met anderen, een Jamaicaanse minister giften en/of diensten verstrekt – bestaande uit girale betalingen van in totaal circa € 389.377,47 – met het oogmerk deze te bewegen in strijd met zijn ambtsplicht te handelen, dan wel als beloning voor dergelijk handelen. Daarbij wordt in de tenlastelegging onder meer gesproken over het creëren en in stand houden van een zodanige relatie dat de betrokken minister niet langer onafhankelijk en objectief kon handelen, alsmede het verkrijgen van een voorkeursbehandeling.

In april 2026 hebben de officier van justitie en de verdediging procesafspraken gemaakt over de afdoening van de zaak. Deze afspraken houden – samengevat – in dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging. Aan dit afdoeningsvoorstel leggen partijen een aantal overwegingen ten grondslag. Zij wijzen erop dat de redelijke termijn voor opsporing en vervolging reeds “in zeer ernstige mate” is geschonden, terwijl het naar verwachting nog vele jaren zal duren voordat het onderzoek ter terechtzitting kan worden afgerond. Daarnaast achten zij het zeer aannemelijk dat niet alle getuigen meer kunnen worden gehoord en dat de overige getuigenverhoren veel tijd zullen vergen. Tegen deze achtergrond rijst volgens partijen de vraag in hoeverre nog sprake kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Voorts wordt de vraag opgeworpen of verdere vervolging vanuit maatschappelijk oogpunt nog opportuun is.

Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard, onder verwijzing naar dit afdoeningsvoorstel. Zij hebben daarbij geen afzonderlijke, uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ingenomen.

De rechtbank stelt voorop dat het afdoeningsvoorstel moet worden beoordeeld aan de hand van de aandachtspunten die de Hoge Raad heeft geformuleerd in zijn arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252). In dat kader beoordeelt de rechtbank allereerst de totstandkoming van de procesafspraken. Zij stelt vast dat de verdachte rechtspersoon bij de totstandkoming van het voorstel werd bijgestaan door advocaten. Voorts is het afdoeningsvoorstel op de openbare terechtzitting samengevat voorgehouden. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en zich bewust van de rechtsgevolgen, heeft meegewerkt aan het afdoeningsvoorstel en het daarbij behorende afstand doen van verdedigingsrechten. Op grond daarvan concludeert de rechtbank dat bij de totstandkoming van het afdoeningsvoorstel is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces.

Vervolgens komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van het voorstel. Daarbij sluit zij zich aan bij de overwegingen die aan het afdoeningsvoorstel ten grondslag zijn gelegd. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn voor opsporing en vervolging reeds in zeer ernstige mate is geschonden. Daarbij neemt zij in aanmerking dat het, gelet op de complexiteit en de stand van het dossier, mogelijk nog vele jaren zal duren voordat het onderzoek ter terechtzitting kan worden afgerond.

Daarnaast acht de rechtbank het zeer aannemelijk dat niet alle getuigen meer kunnen worden gehoord en dat de overige getuigenverhoren aanzienlijke tijd zullen vergen. Tegen deze achtergrond rijst volgens de rechtbank de vraag in hoeverre bij voortzetting van de zaak nog sprake kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Daarmee legt de rechtbank een rechtstreeks verband tussen het tijdsverloop enerzijds en de waarborgen van een fair trial anderzijds.

Voorts acht de rechtbank, in het licht van het aanzienlijke tijdsverloop, de vraag gerechtvaardigd of verdere vervolging vanuit maatschappelijk oogpunt nog opportuun is. Deze overweging wordt, naast de fair trial problematiek, als zelfstandige factor in de beoordeling betrokken.

Gelet op deze samenhang van omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Aan een inhoudelijke beoordeling van de tenlastelegging komt de rechtbank derhalve niet toe.

De uitspraak maakt duidelijk dat de rechtbank bij de beoordeling van procesafspraken primair toetst of deze op een eerlijke wijze tot stand zijn gekomen, en vervolgens bij de inhoudelijke beoordeling in belangrijke mate aansluiting zoekt bij de door partijen aangevoerde gronden. Daarbij wordt de niet ontvankelijkheidsverklaring niet gebaseerd op één afzonderlijke omstandigheid, maar op een samenstel van factoren: een zeer ernstige overschrijding van de redelijke termijn, concrete bewijsproblemen als gevolg van het tijdsverloop, twijfel over de mogelijkheid van een eerlijk proces en de vraag naar de opportuniteit van verdere vervolging. In die combinatie acht de rechtbank beëindiging van de vervolging gerechtvaardigd.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5164