In een lezenswaardige uitspraak van de Hoge Raad staat de vraag centraal welke cassatietermijn geldt bij een klaagschriftprocedure ex artikel 98 lid 4 jo. artikel 552a Sv, indien de klager zich op een verschoningsrecht beroept, maar de rechtbank oordeelt dat hem dat recht niet toekomt.

De zaak speelt zich af tegen de achtergrond van het bijzondere beslagregime van artikel 98 Sv. Deze bepaling strekt ertoe de vertrouwelijkheid van informatie te beschermen bij personen die zich op een verschoningsrecht kunnen beroepen in de zin van artikel 218 Sv, bijvoorbeeld notarissen en advocaten. Indien de betrokkene zich tegen inbeslagneming verzet, beslist de rechter-commissaris op grond van artikel 98 lid 3 Sv of kennisneming of inbeslagneming is toegestaan. Tegen die beslissing staat vervolgens beklag open bij de rechtbank op grond van artikel 98 lid 4 jo. artikel 552a Sv.

Tegen de beschikking van de rechtbank kan cassatieberoep worden ingesteld. Daarbij rijst de vraag welke termijn geldt voor het indienen van de cassatieschriftuur. De wet kent in dit verband twee regimes. Enerzijds de algemene termijn van een maand na betekening van de aanzegging (art. 447 lid 5 Sv), en anderzijds de verkorte termijn van veertien dagen die geldt in procedures waarin een verschoningsgerechtigde klaagt (art. 552d lid 3 Sv).

In de onderhavige zaak beroept de klager, een natuurlijk persoon werkzaam bij een kinderrechtenorganisatie in Engeland in de hoedanigheid van directeur en ‘legal expert’, zich in het klaagschrift op een (al dan niet afgeleid) verschoningsrecht ten aanzien van onder hem in beslag genomen gegevensdragers. De rechter-commissaris had geoordeeld dat inbeslagneming was toegestaan en de rechtbank had het daaropvolgende beklag ongegrond verklaard, omdat de klager niet als verschoningsgerechtigde kon worden aangemerkt.

Namens de klager werd cassatieberoep ingesteld, maar de schriftuur werd pas ingediend na afloop van de termijn van veertien dagen. De vraag in cassatie is of in een dergelijk geval – waarin het beroep op het verschoningsrecht inhoudelijk is afgewezen – niettemin de verkorte termijn van toepassing blijft.
De Hoge Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Doorslaggevend is volgens de Hoge Raad dat het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de rechtbank op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 jo. artikel 552a Sv. De aard van die procedure brengt mee dat het gaat om een klaagschrift dat – naar zijn strekking – is voorbehouden aan personen met een verschoningsrecht.

Dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de klager geen verschoningsgerechtigde is, maakt dat niet anders. De toepasselijkheid van de verkorte termijn hangt niet af van de inhoudelijke uitkomst van de beoordeling van het verschoningsrecht, maar van de procedurele kwalificatie van het klaagschrift.

Nu de aanzegging is betekend op 27 november 2025 en de schriftuur eerst op 19 december 2025 is ingediend, is de termijn van veertien dagen overschreden. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep dan ook niet ontvankelijk en komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het middel.

De beschikking maakt duidelijk dat in deze context strikt moet worden vastgehouden aan het formeel-procedurele kader van artikel 98 Sv. De route via de rechter-commissaris (lid 3) en het daaropvolgende beklag bij de rechtbank (lid 4 jo. 552a Sv) bepaalt de aard van de procedure en daarmee ook het toepasselijke cassatieregime.

Voor de praktijk is met name van belang dat de verkorte termijn van artikel 552d lid 3 Sv reeds geldt zodra een klaagschrift wordt ingediend in het kader van artikel 98 Sv en daarbij een beroep wordt gedaan op een verschoningsrecht. Dat dit beroep – uiteindelijk – niet slaagt, doet daaraan niet af. De uitspraak onderstreept daarmee dat de toepasselijke cassatietermijn niet meebeweegt met de inhoudelijke beoordeling van het geschil, maar wordt bepaald door het type procedure. In deze zaak heeft dit grote gevolgen, nu de materiële vraag of daadwerkelijk sprake is van een verschoningsrecht onbesproken wordt gelaten met de overschrijding van de cassatietermijn.

Voor de (fiscaal) adviseur of een ‘legal expert’, zoals in deze zaak, die zich geconfronteerd ziet met een beslag volgt hieruit een duidelijke les. In situaties waarin beslag wordt gelegd op cliëntgegevens, administratie of digitale gegevensdragers en een beroep wordt gedaan op een (al dan niet afgeleid) verschoningsrecht, moet reeds in de cassatiefase rekening worden gehouden met de verkorte termijn van veertien dagen. Een mogelijke afwijzing van het verschoningsrecht rechtvaardigt niet de veronderstelling dat de reguliere termijn van een maand van toepassing is.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:764