Recent heeft Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een door ons kantoor gevoerde procedure waarin navorderingsaanslagen IB/PVV 2008 en 2009 worden vernietigd wegens overschrijding van de navorderingstermijn. De uitspraak is met name interessant vanwege de eisen die de rechtbank stelt aan de bekendmaking van aanslagen en aan het bewijs van verleend becon-uitstel.
De procedure zag oorspronkelijk niet alleen op omvangrijke navorderingsaanslagen, maar ook op aanzienlijke vergrijpboeten. Nadat de boeten reeds vóór de zitting waren vernietigd dan wel verminderd tot nihil, resteerde met name de discussie over het door de inspecteur veronderstelde inkomen uit aanmerkelijk belang van € 946.175. Hoewel daartegen inhoudelijk diverse zwaarwegende argumenten waren aangevoerd, komt de rechtbank aan die discussie niet toe. De zaak wordt volledig beslist op aangevoerde formele gronden. De rechtbank komt tot het oordeel dat de inspecteur niet bevoegd was om de navorderingsaanslagen over 2008 en 2009 op te leggen.
Voor het jaar 2008 staat de bekendmaking van de navorderingsaanslag centraal. De rechtbank stelt vast dat het door de inspecteur gebruikte adres niet overeenkomt met het adres dat belanghebbende in de BRP had laten registreren. Ook de adressering op de verzendsticker wijkt daarvan af. Naar het oordeel van de rechtbank is de navorderingsaanslag daardoor niet naar het juiste adres verzonden en dus niet binnen de termijn op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.
Het beroep van de inspecteur op de betekening aan het parket van het Openbaar Ministerie slaagt evenmin. De rechtbank overweegt dat de inspecteur beschikte over het juiste adres van belanghebbende, zodat geen aanleiding bestond voor bekendmaking op een andere wijze. Bovendien is niet gebleken dat belanghebbende of zijn gemachtigde via die betekening een afschrift van het aanslagbiljet heeft ontvangen. De rechtbank acht daarom pas sprake van een rechtsgeldige bekendmaking op het moment dat de navorderingsaanslag op 20 oktober 2022 per e-mail aan belanghebbende is toegezonden, buiten de aanslagtermijn.
Dat oordeel is beslissend. Nu de navorderingsaanslag 2008 eerst op 20 oktober 2022 rechtsgeldig bekend is gemaakt, is niet alleen het bezwaar tijdig ingediend, maar staat tevens vast dat de navorderingsaanslag buiten de wettelijke navorderingstermijn bekend is gemaakt. Zelfs indien wordt uitgegaan van toepassing van de verlengde twaalfjaarstermijn en van het door de inspecteur gestelde becon-uitstel van dertien maanden, resteert geen bevoegdheid meer tot navordering.
Ten aanzien van het jaar 2009 komt de rechtbank langs een andere route tot hetzelfde resultaat. De inspecteur stelde zich op het standpunt dat de navorderingstermijn met dertien maanden moest worden verlengd wegens verleend becon-uitstel. Belanghebbende betwistte echter dat dit uitstel nooit aan hem of zijn toenmalige adviseur kenbaar was gemaakt.
De rechtbank legt de bewijslast op dit punt nadrukkelijk bij de inspecteur. Een interne schermprint uit de systemen van de Belastingdienst waaruit volgt dat uitstel is verleend, acht zij onvoldoende. Beslissend is of aannemelijk wordt gemaakt dat het verleende uitstel daadwerkelijk aan de gemachtigde is teruggekoppeld. Dat bewijs ontbreekt. Zelfs na een ingesteld onderzoek bij de voormalige adviseur kon geen bevestiging van het verleende uitstel worden gevonden. De inspecteur slaagt er daarom niet in aannemelijk te maken dat het uitstel kenbaar is verleend.
De uitspraak bevestigt daarmee dat interne registraties van de Belastingdienst niet zonder meer voldoende zijn om een verlenging van de navorderingstermijn te rechtvaardigen. Indien een belastingplichtige gemotiveerd betwist dat becon-uitstel is verleend, zal de inspecteur aannemelijk moeten maken dat dit uitstel destijds daadwerkelijk aan de adviseur of belastingplichtige is gecommuniceerd.
De kern van deze uitspraak ligt uiteindelijk in de formele waarborgen rond navordering. Zowel de bekendmaking van aanslagen dient zorgvuldig te geschieden, zodat belastingplichtigen niet in hun rechtspositie worden geschaad en op tijd tegen aanslagen kunnen opkomen. Ook maakt deze uitspraak duidelijk dat het bewijs van verleend uitstel méér vereist dan een verwijzing naar interne administratieve vastleggingen, voor de verlenging van de aanslag moet het immers gaan om voor de belastingplichtige ‘kenbaar’ verleend uitstel.
De zaak illustreert dat de uitkomst van een omvangrijk fiscaal geschil niet uitsluitend wordt bepaald door de materiële discussie. Ook de formele voorwaarden voor navordering vormen een wezenlijk onderdeel van de rechtsbescherming van belastingplichtigen.
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6104
