Belanghebbende, een Nederlandse vennootschap, verricht tussen 2001 en 2005 reclamediensten voor twee Zwitserse zustermaatschappijen. Zij brengt hiervoor geen Nederlandse omzetbelasting in rekening, omdat zij meent dat de diensten buiten Nederland belastbaar zijn. De inspecteur stelt echter dat de feitelijke afnemer van de diensten een Nederlandse vennootschap is, waardoor de diensten wél in Nederland belastbaar zijn. Op basis daarvan legt de inspecteur op 12 maart 2006 een naheffingsaanslag op. Het geschil over deze naheffingsaanslag leidt tot een langdurige procedure. In een eerdere cassatie vernietigt de Hoge Raad op 10 december 2021 de uitspraak van Hof Den Bosch en verwijst de zaak naar Hof Arnhem-Leeuwarden. In deze verwijzingsprocedure staat niet langer de materiële belastingplicht centraal, maar uitsluitend de vraag of de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden. Het hof oordeelt van niet: belanghebbende heeft volgens het hof tijdens het boekenonderzoek voldoende gelegenheid gehad om te reageren op de voorlopige standpunten van de inspecteur. De inspecteur zou zijn standpunt geleidelijk hebben verduidelijkt, en belanghebbende zou zich feitelijk hebben kunnen verdedigen.
De Hoge Raad vernietigt dit oordeel. Hij benadrukt dat het verdedigingsbeginsel vereist dat de inspecteur de belastingplichtige vóór het opleggen van een bezwarend besluit expliciet en tijdig in kennis stelt van het definitieve voornemen tot naheffing, met duidelijke vermelding van de elementen waarop het besluit is gebaseerd, én hem uitdrukkelijk uitnodigt om daarop te reageren. In dit geval had de Inspecteur in januari 2006 al een voornemen kenbaar gemaakt, maar niet eerder dan bij brief van 22 februari 2006 was sprake van een definitief voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag, onder nauwkeurige vermelding van de definitieve elementen die hij aan die naheffingsaanslag ten grondslag wilde leggen. In de brief ontbrak het echter een uitnodiging om op het voornemen te reageren. De Hoge Raad oordeelt daarom dat het verdedigingsbeginsel is geschonden en vernietigt de naheffingsaanslag en de beschikking inzake heffingsrente.
Hoge Raad 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:903
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:903
