In een recente uitspraak past Hof ’s-Hertogenbosch voor het eerst het door de Hoge Raad in de arresten van 25 april 2025 en 18 juli 2025 ontwikkelde misbruikkader toe op een Luxemburgse houdsterstructuur. Het betreft de eerste gepubliceerde uitspraak van een feitenrechter waarin dit nieuwe toetsingskader wordt toegepast.
Belanghebbende is een naar Luxemburgs recht opgerichte vennootschap en is op 27 december 2019 grensoverschrijdend omgezet naar de rechtsvorm van een Nederlandse besloten vennootschap. Belanghebbende was in 2014 nog gevestigd in Luxemburg en hield alle aandelen in twee Nederlandse vennootschappen. De aandelen in belanghebbende werden gehouden door een Luxemburgse SPF, waarvan de aandelen werden gehouden door een in België woonachtige UBO. Op de SPF was een regime van toepassing waardoor zij niet was onderworpen aan Luxemburgse vennootschaps- en dividendbelasting. Belanghebbende was tot aan haar zetelverplaatsing fiscaal inwoner van Luxemburg en onderworpen aan Luxemburgse vennootschaps- en vermogensbelasting.
In 2014 keert een Nederlandse dochtervennootschap een dividend van € 19 miljoen uit aan belanghebbende. De inspecteur belast dit dividend alsnog op grond van de antimisbruikbepaling van artikel 17, lid 3, onderdeel b, Wet Vpb. De rechtbank oordeelt dat de dividenduitkering niet onder deze antimisbruikbepaling valt en vernietigt de navorderingsaanslag, maar het hof denkt daar anders over.
Het hof begint met een uitgebreide uiteenzetting van het door de Hoge Raad in de arresten van 25 april 2025 en 18 juli 2025 ontwikkelde toetsingskader. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de misbruikjurisprudentie van het Hof van Justitie, waaronder met name de arresten T Danmark en Y Denmark. Uit die jurisprudentie volgt dat misbruik van Unierecht zowel een objectief als een subjectief element veronderstelt. Verder wijst het hof op het recente arrest Nordcurrent, waarnaar de Hoge Raad in zijn arrest van 18 juli 2025 expliciet verwijst bij de formulering van het tegenbewijs dat een belastingplichtige kan leveren.
Het hof stelt in dat verband voorop dat de inspecteur op grond van het nieuwe toetsingskader aannemelijk moet maken dat is voldaan aan zowel de subjectieve als de objectieve voorwaarde. Slaagt de inspecteur daarin, dan rust op belanghebbende de last tegenbewijs te leveren.
Ten aanzien van de subjectieve voorwaarde sluit het hof aan bij de wegdenkgedachte. Indien de Luxemburgse tussenschakel wordt weggedacht, zou de dividenduitkering rechtstreeks aan de Belgische aandeelhouder zijn gedaan. In dat geval zou Nederland over die dividenduitkering dividendbelasting en inkomstenbelasting hebben kunnen heffen. Nu die heffing door de tussenschakeling van belanghebbende achterwege blijft, acht het hof de subjectieve voorwaarde vervuld.
Vervolgens beoordeelt het hof de objectieve voorwaarde. Daarbij acht het hof van belang dat belanghebbende geen personeel in dienst heeft, niet beschikt over eigen kantoorruimte in Luxemburg en wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een trustmaatschappij. De jaarlijkse vergoedingen voor deze bestuurders bedragen volgens de stukken € 1.000 per bestuurder. Verder vindt in 2014 slechts één aandeelhoudersvergadering en één directievergadering plaats.
Ook hecht het hof belang aan een interne e-mail uit 2016 waarin een medewerker van een Nederlandse groepsmaatschappij instructies geeft tot het verrichten van een betaling vanuit belanghebbende, waarna de CFO van de Nederlandse groep reageert dat hij adviseert de betaling uit te voeren. Volgens de inspecteur laat deze correspondentie zien dat de feitelijke besluitvorming niet bij de Luxemburgse vennootschap lag. Het hof acht deze stelling aannemelijk.
Belanghebbende voert aan dat zij een wezenlijke functie binnen de groep vervult doordat zij financieringen verstrekt aan groepsmaatschappijen. Het hof volgt dat standpunt niet. De enkele omstandigheid dat sinds 1998 geldleningen aan gelieerde vennootschappen worden verstrekt en daarmee economische risico’s worden gelopen, is volgens het hof onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een actieve financieringsfunctie of van een wezenlijke functie ten dienste van de groep.
Interessant is dat het hof het door de Hoge Raad geformuleerde tegenbewijs strikt toepast. Belanghebbende voert verschillende zakelijke redenen aan voor de aanwezigheid van de Luxemburgse vennootschap, waaronder verbeteringen van de vermogenspositie binnen het concern, concernfinanciering, aansprakelijkheidsbeperking, herinvesteringen en flexibiliteit bij verkoop van werkmaatschappijen. Het hof acht dit echter onvoldoende. Daarbij speelt een belangrijke rol dat deze argumenten volgens het hof hooguit het bestaan van een houdsterstructuur in algemene zin verklaren, maar niet waarom sprake is van een dubbele Luxemburgse houdsterstructuur, waarbij belanghebbende bovendien zelf weer wordt gehouden door een Luxemburgse SPF.
Ook het betoog dat de Luxemburgse structuur al sinds 1998 bestaat, overtuigt het hof niet. Het hof merkt daarbij expliciet op dat dit niets zegt over de reden voor de tussenschakeling van belanghebbende. Verder wijst het hof erop dat ter zitting uiteindelijk niet kon worden aangegeven waarom de herstructurering in 1998 heeft plaatsgevonden en waarom destijds voor de Luxemburgse structuur is gekozen.
Voorts overweegt het hof expliciet dat voor het aannemen van misbruik niet noodzakelijk is dat het ontvangen dividend wordt doorgestort naar de uiteindelijk aandeelhouder. Het hof verwerpt daarmee het betoog dat geen sprake kan zijn van een kunstmatige constructie omdat het dividend van € 19 miljoen niet is dooruitgedeeld aan de UBO. Ook zonder een dergelijke dooruitdeling kan volgens het hof sprake zijn van een volstrekt kunstmatige constructie.
Daarbij acht het hof van belang dat de bovenliggende SPF zelf geen beroep kon doen op de moeder-dochterrichtlijn en evenmin gerechtigd was tot toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en Luxemburg. Volgens het hof lijkt belanghebbende daarom juist te zijn tussengeschoven tussen de SPF en de Nederlandse werkmaatschappijen om alsnog richtlijn- en verdragsvoordelen te kunnen inroepen.
Ook de formele verweren falen. Het hof oordeelt dat sprake is van een nieuw feit. Dat tijdens een boekenonderzoek bij een Nederlandse groepsmaatschappij informatie over de dividenduitkering beschikbaar was, betekent niet dat de inspecteur gehouden was dat dossier te raadplegen bij de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Evenmin kan uit het enkele feit dat destijds geen vragen over de dividenduitkering zijn gesteld een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel worden afgeleid.
Daarmee lijkt deze eerste toepassing van het nieuwe misbruikkader te laten zien dat het zwaartepunt van de beoordeling verschuift naar de concrete rechtvaardiging van de betreffende tussenschakel. Niet de vraag of een houdsterstructuur in abstracto zakelijke voordelen heeft, maar de vraag waarom juist deze vennootschap op deze plaats in de structuur is opgenomen, lijkt voor het hof beslissend. Ook zonder een klassieke dividenddoorstroom kan volgens het hof sprake zijn van een kunstmatige constructie. Dat sluit aan bij de lijn die de Hoge Raad, onder verwijzing naar onder meer T Danmark en Y Denmark, heeft uitgezet.
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1277
