Belanghebbende – een voormalig registeraccountant – is strafrechtelijk veroordeeld voor het opmaken van een valse factuur en witwassen. Naar aanleiding van het politieonderzoek is bij de fiscus het vermoeden gerezen dat belanghebbende  met zijn ondernemingen betalingen aan ‘derden’ heeft verricht zonder dat daartegenover een tegenprestatie stond. In de fiscale procedures is in geschil of deze betalingen terecht als winstuitdelingen in aanmerking zijn genomen bij belanghebbende over de jaren 2015 tot en met 2018. Daarnaast zijn de na bezwaar verminderde vergrijpboeten van in totaal ruim € 25.000 in geschil.

De rechtbank verwerpt het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel en oordeelt dat voor de betalingen aan derden geen tegenprestaties of werkzaamheden zijn verricht ten behoeve van de ondernemingen van belanghebbende en dat aan de betalingen ook geen zakelijke overwegingen ten grondslag lagen. Gelet daarop en de omstandigheid dat de betalingen ten goede zijn gekomen aan de (vennootschappen van) de neven van belanghebbende acht de rechtbank aannemelijk dat sprake is van bevoordelingen van belanghebbende in zijn hoedanigheid van (indirect) aandeelhouder. Het is volgens de rechtbank moeilijk voor te stellen dat de betalingen, waar geen tegenprestaties of werkzaamheden tegenover stonden, zijn verricht om andere redenen dan aandeelhoudersmotieven. De betalingen zijn daarom terecht aangemerkt als winstuitdelingen en gerekend tot het inkomen uit aanmerkelijk belang van belanghebbende.

Tot het dossier behoort een uitspraak van de Accountantskamer Zwolle van 7 april 2023 (ECLI:NL:TACAKN:2023:31). Daaruit volgt dat aan belanghebbende de maatregel van doorhaling als registeraccountant is opgelegd. De rechtbank heeft de uitspraak van de Accountantskamer echter niet betrokken in haar beoordeling van de vergrijpboeten. De rechtbank ziet daartoe aanleiding nu blijkens de uitspraak van de Accountantskamer de verklaringen van belanghebbende en hetgeen hij verder naar voren heeft gebracht, niet tegen hem gebruikt mogen worden in de strafzaak. Gelet op deze overweging, het punitieve karakter van de vergrijpboeten en het eveneens voor fiscale boetezaken geldende zwijgrecht, kan de uitspraak van de Accountantskamer naar het oordeel van de rechtbank ook niet worden gebruikt ter onderbouwing van de thans voorliggende vergrijpboeten.

Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur er niet in geslaagd om overtuigend aan te tonen dat de voor opzet of grove schuld vereiste feiten en omstandigheden aanwezig zijn. Hoewel de rechtbank aannemelijk acht dat belanghebbende inkomen uit aanmerkelijk belang heeft genoten, heeft zij niet buiten redelijke twijfel kunnen vaststellen dat belanghebbende deze inkomsten met (voorwaardelijk) opzet niet heeft aangegeven. Weliswaar is belanghebbende geregistreerd registeraccountant geweest en kan van hem worden verwacht dat hij weet dat privébetalingen niet als zakelijke uitgaven verwerkt hadden mogen worden bij de vennootschappen, maar daarmee is nog niet overtuigend bewezen dat hij (voorwaardelijk) opzet of grove schuld had met betrekking tot het niet aangeven van deze betalingen als inkomen uit aanmerkelijk belang. De onderbouwing van de inspecteur in het controlerapport acht de rechtbank te algemeen en op zitting heeft de inspecteur evenmin enige onderbouwing gegeven omtrent de gestelde verwijtbaarheid.

Nu de inspecteur niet heeft doen blijken dat het aan (voorwaardelijk) opzet dan wel grove schuld van belanghebbende is te wijten dat er te weinig belasting is geheven, vernietigt de rechtbank de vergrijpboeten. In zoverre verklaart de rechtbank de beroepen van belanghebbende gegrond. De navorderingsaanslagen blijven in stand, maar de vergrijpboeten worden vernietigd.

Rechtbank Noord-Holland 8 februari 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:3643

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:3643