Belanghebbende exploiteert via een VOF een coffeeshop. Na een boekenonderzoek heeft de inspecteur voor de jaren 2011 t/m 2016 de winst verhoogd en vergrijpboeten opgelegd. De informatiebeschikking die de inspecteur daarna heeft afgegeven wegens schending van de administratieplicht, is door Hof Den Haag vernietigd. In de procedure tegen de aanslag stelt de inspecteur opnieuw dat de administratie van belanghebbende onbetrouwbaar is en niet kan dienen als grondslag voor de winstberekening. Hof Den Haag volgt de inspecteur en oordeelt dat vervolgens de vereiste aangifte niet is gedaan. In cassatie is de vraag of de rechter is gebonden aan de eerder vernietigde informatiebeschikking en of het oordeel van het hof dat sprake is van opzet in stand kan blijven.

De Hoge Raad oordeelt dat, wanneer een rechter eerder de informatiebeschikking heeft vernietigd, dit niet betekent dat de rechter in een latere procedure over de aanslag is gebonden aan die eerdere beslissing. Evenmin staat deze omstandigheid eraan in de weg dat de rechter in die procedure over de belastingaanslag tot het oordeel komt dat de desbetreffende onjuistheden in de aangifte van dien aard zijn dat moet worden aangenomen dat de belastingplichtige niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Het staat de inspecteur daarbij vrij feiten en omstandigheden aan te voeren die hij in de eerdere procedure over de informatiebeschikking niet heeft aangevoerd, behoudens in het – zich in deze zaak niet voordoende – geval dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich hiertegen verzetten.

De motivering van het hof dat sprake is geweest van opzet kan echter niet in stand blijven. De Hoge Raad oordeelt dat het hof in diens uitspraak had moeten vermelden op grond van welke feiten en omstandigheden de conclusie gerechtvaardigd is dat belanghebbende met opzet onjuiste aangiften zou hebben gedaan. Hoewel het hof in diens motivering wel heeft vermeld dat het aannemelijk is dat belanghebbende aanzienlijke inkomsten heeft genoten en dat deze niet zijn opgenomen in de aangiften, kan de enkele omstandigheid dat de inkomsten ‘aanzienlijk’ zijn niet de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet, aldus de Hoge Raad.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie op dit punt gegrond en verwijst de zaak naar Hof Amsterdam om te onderzoeken of de vergrijpboete terecht is opgelegd.

Hoge Raad 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1336

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2023:1336