In een recent arrest geeft de Hoge Raad nadere invulling aan de vraag wanneer aanleiding bestaat om de redelijke termijn voor berechting te verlengen wegens procesgedrag van de belanghebbende of diens gemachtigde. De uitspraak sluit nauw aan bij de in HR 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) ontwikkelde uitgangspunten, maar verduidelijkt hoe deze moeten worden toegepast in gevallen waarin sprake is van structurele vertraging als gevolg van het optreden van een gemachtigde in een groot aantal zaken.

De Hoge Raad stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de berechting van een zaak in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar uitspraak doet, waarbij de bezwaarfase in deze termijn is begrepen. Deze termijn kan worden verlengd indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Tot die bijzondere omstandigheden kan, aldus de Hoge Raad, onder meer worden gerekend de invloed van de belanghebbende en diens gemachtigde op de duur van het proces.

Van een dergelijke bijzondere omstandigheid is sprake indien het procesgedrag heeft geleid tot vertraging die niet reeds is verdisconteerd in de standaardtermijn van twee jaar. De Hoge Raad merkt daarbij expliciet op dat binnen die standaardtermijn reeds rekening is gehouden met gebruikelijke proceshandelingen, zoals herstelverzuimen en uitstel voor het indienen van stukken of voor de behandeling ter zitting.

Van belang is vervolgens dat de Hoge Raad benadrukt dat de beoordeling of een bijzondere omstandigheid zich voordoet, moet plaatsvinden aan de hand van de omstandigheden van de individuele zaak. Het algemene procesgedrag van een gemachtigde in andere zaken kan daarbij slechts worden betrokken voor zover dat gedrag ook daadwerkelijk van invloed is geweest op de duur van de behandeling in de betreffende zaak. Daarmee bevestigt de Hoge Raad dat een generieke verlenging van de redelijke termijn, uitsluitend gebaseerd op algemeen procesgedrag van een gemachtigde, niet aan de orde is.

Tegelijkertijd corrigeert de Hoge Raad het oordeel van het hof op een essentieel punt. Het hof had geoordeeld dat een capaciteitsgebrek bij de gemachtigde niet zonder meer kan worden aangemerkt als een aan belanghebbende toe te rekenen bijzondere omstandigheid, en dat daarvoor een nadere afweging vereist is. De Hoge Raad oordeelt dat dit een te strenge maatstaf is. Indien vaststaat dat vertraging in het proces is veroorzaakt door onvoldoende beschikbaarheid van de gemachtigde, moet dit in beginsel worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt.

Daarbij geldt, aldus de Hoge Raad, dat niet vereist is dat de vertraging uitsluitend aan het procesgedrag van de gemachtigde is toe te rekenen. Evenmin is daarvoor een nadere belangenafweging noodzakelijk. Indien sprake is van vertragend procesgedrag dat buiten de reeds in de standaardtermijn verdisconteerde factoren valt, rechtvaardigt dit in de regel verlenging van de redelijke termijn.

Wat betreft de omvang van die verlenging overweegt de Hoge Raad dat deze in een redelijke verhouding moet staan tot de veroorzaakte vertraging. Indien die verhouding niet precies kan worden vastgesteld, mag de rechter uitgaan van een schatting, waarbij een zekere ruwheid is toegestaan.

De Hoge Raad benadrukt voorts dat deze benadering onverlet laat dat de rechter de voortgang van de zaak dient te bewaken. Een eventueel gebrek aan regievoering aan de zijde van de rechter staat er echter niet aan in de weg dat vertraging die is veroorzaakt door het procesgedrag van de gemachtigde aan de belanghebbende wordt toegerekend.

Gelet op deze uitgangspunten komt de Hoge Raad tot het oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van een bijzondere omstandigheid, aangezien niet is betwist dat vertraging is opgetreden doordat de gemachtigde wegens capaciteitsgebrek onvoldoende beschikbaar was voor zittingen. Nu evenmin is bestreden dat de rechtbank een verlenging van de redelijke termijn met een jaar passend heeft geacht, stelt de Hoge Raad de redelijke termijn vast op drie jaar. Dit leidt tot een beperkte overschrijding van de redelijke termijn en een dienovereenkomstige beperking van de immateriƫle schadevergoeding.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:735