In deze uitspraak staat de reikwijdte van de inspanningsverplichting centraal bij informatiebeschikkingen ex artikel 52a AWR, in een situatie waarin de belastingplichtige stelt niet te kunnen beschikken over de gevraagde administratie van een buitenlandse structuur (SPF) en daaraan gelieerde vennootschappen.
De inspecteur had aan belanghebbende informatiebeschikkingen afgegeven in verband met vragen over diens betrokkenheid bij een SPF en de daarmee samenhangende fiscale gevolgen voor box 2 en box 3. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat hij niet over de gevraagde administraties kon beschikken en dat hem het niet voldoen aan de informatieverplichting daarom niet kon worden aangerekend.
Het hof stelt voorop dat voor het ontstaan van de informatieverplichting ex artikel 47 AWR voldoende is dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens van belang kunnen zijn voor de belastingheffing. Tussen partijen is niet in geschil dat dit het geval is. Daarmee staat de informatieverplichting vast.
De kern van het geschil ligt vervolgens bij de vraag of het niet voldoen aan deze verplichting belanghebbende kan worden toegerekend. Daarbij herhaalt het hof het bekende uitgangspunt dat het niet verstrekken van informatie zonder nadelige gevolgen moet blijven indien dat verzuim de belastingplichtige niet kan worden verweten. Daartoe moet worden beoordeeld of de belastingplichtige “de in redelijkheid van hem te vergen maatregelen” heeft getroffen om de gevraagde informatie te verkrijgen.
Van belang is daarbij dat het hof expliciet aansluiting zoekt bij het toetsingsmoment: beslissend is de situatie ten tijde van het afgeven van de informatiebeschikkingen in 2016. Latere ontwikkelingen — zoals het al dan niet beschikbaar komen van stukken of latere belemmeringen — spelen in beginsel geen rol bij de beoordeling van de vraag of aan de inspanningsverplichting is voldaan.
Het hof komt tot het oordeel dat belanghebbende niet heeft voldaan aan deze inspanningsverplichting. Daarbij wordt gewicht toegekend aan de feitelijke betrokkenheid van belanghebbende bij de SPF en de daaraan gelieerde structuren. Zo staat vast dat belanghebbende insteller, begunstigde en toezichthouder was van de SPF en dat hij de oprichtersrechten had verkregen. Tevens was hij enig aandeelhouder van de vennootschap waaraan de activa van de SPF zijn overgedragen. Daarnaast had hij invloed op de administratie, onder meer doordat facturen aan hem werden gericht en de beheerder van de SPF de boekhouding voerde op zijn verzoek.
Op basis van deze omstandigheden acht het hof aannemelijk dat belanghebbende over (jaar)stukken van de SPF kon beschikken, althans daarin inzage kon verkrijgen. Het enkel stellen dat de administratie zich bij derden bevindt of dat deze niet wordt verstrekt, is onvoldoende. Relevant is of de belastingplichtige daadwerkelijk alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verlangd om die stukken te verkrijgen.
Hetzelfde oordeel trekt het hof door naar de administratie van de vennootschap waarvan belanghebbende enig aandeelhouder is, en naar de administratie van de onderliggende deelnemingen. Met name ten aanzien van die deelnemingen benadrukt het hof dat niet is gebleken van noemenswaardige inspanningen om de stukken te verkrijgen, terwijl de betrokkenheid van belanghebbende daartoe wel aanleiding gaf.
De uitspraak onderstreept dat de lat voor de inspanningsverplichting hoog ligt. Het enkele ontbreken van feitelijke beschikkingsmacht over administratie is onvoldoende om aan de informatieverplichting te ontkomen. Doorslaggevend is of — gelet op de positie van de belastingplichtige — redelijkerwijs verwacht mocht worden dat hij toegang kon verkrijgen tot de gevraagde informatie en of hij daartoe daadwerkelijk inspanningen heeft geleverd.
Daarnaast maakt het hof duidelijk dat de informatieverplichting zelfstandig blijft bestaan, ook indien de inspecteur mogelijk al over (delen van) de gevraagde informatie beschikt via andere dossiers of procedures. De belastingplichtige kan zich niet verschuilen achter de stelling dat de inspecteur de informatie “al heeft”.
Voor de praktijk is deze uitspraak van belang in situaties waarin gebruik wordt gemaakt van buitenlandse vermogensstructuren, zoals SPF’s of andere APV achtige entiteiten. De betrokkenheid bij dergelijke structuren — ook indien die formeel juridisch op afstand staan — kan meebrengen dat de belastingplichtige geacht wordt over (of in ieder geval toegang te hebben tot) relevante administratie.
De belangrijkste les is dat een beroep op feitelijke onmogelijkheid om informatie te verstrekken slechts slaagt indien aannemelijk wordt gemaakt dat daadwerkelijk alle redelijkerwijs te verlangen stappen zijn gezet om die informatie te verkrijgen. Het enkel verwijzen naar derden, bestuurders of bewaarders van stukken is daarvoor onvoldoende.
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2718
