Op 9 september 2019 wordt een vrouw telefonisch benaderd door iemand die zich voordoet als medewerker van de ABN AMRO. Deze man beweert dat er een derde partij gemachtigd is om haar bank- en spaarrekening leeg te halen, en vraagt haar om via een constructie het geld veilig te stellen. Zij maakt vervolgens in vier delen een bedrag van in totaal € 9.958 over naar een rekening op naam van verdachte. Dit geld wordt vrijwel direct daarna contant opgenomen bij pinautomaten. Uit de camerabeelden blijkt dat de persoon welke de geldopnames doet niet de persoon is welke overeenkomt met het signalement van de verdachte op wiens naam de rekening staat. Verdachte heeft voorafgaand aan deze gebeurtenissen zijn bankpas en pincode afgestaan aan een kennis, die volgens hem geld van zijn broer zou ontvangen en dit niet op zijn eigen rekening kon laten storten vanwege een bewindvoerder. Als wederdienst ontving verdachte € 50. Hof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt verdachte wegens schuldwitwassen. Het hof acht bewezen dat verdachte zowel het geldbedrag van € 9.958 heeft verworven als voorhanden heeft gehad, omdat hij zijn bankrekening en pas beschikbaar stelde voor het doorsluizen van geld uit misdrijf en daarbij ernstig onachtzaam heeft gehandeld.
In cassatie klaagt de verdediging dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat verdachte het geldbedrag heeft verworven. De Hoge Raad stelt vast dat voor het verwerven van een voorwerp in de zin van art. 420quater lid 1 Sr sprake moet zijn van een handeling waardoor feitelijke zeggenschap wordt verkregen. Het hof heeft echter niet vastgesteld dat verdachte zelf enig aandeel heeft gehad in de transacties op zijn rekening of in de geldopnames. Ook blijkt uit de bewijsvoering niet dat verdachte daadwerkelijk feitelijke zeggenschap heeft uitgeoefend over de geldbedragen nadat deze op zijn rekening zijn bijgeschreven. Daarmee is de motivering voor het oordeel dat verdachte de bedragen heeft verworven ontoereikend. Toch hoeft dit niet tot cassatie te leiden, omdat het hof óók bewezen heeft verklaard dat verdachte het geldbedrag voorhanden heeft gehad en het hof kennelijk heeft geoordeeld dat sprake was van eendaadse samenloop met betrekking tot het voorhanden hebben en het verwerven van het geldbedrag. De verdachte heeft daarom geen belang bij zijn klacht zodat de bewezenverklaring in cassatie in stand blijft. De Hoge Raad verduidelijkt dat voor het voorhanden hebben niet is vereist dat men te allen tijde direct over het goed kan beschikken. Voldoende is dat men de feitelijke zeggenschap heeft, wat ook geldt bij het ter beschikking stellen van een rekening aan een ander. De Hoge Raad verwerpt het beroep, waarbij hij overweegt dat de redelijke termijn is overschreden, maar daaraan geen verder rechtsgevolg verbindt gelet op de opgelegde taakstraf van 30 uur.
Hoge Raad 10 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:871
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:871
