Belanghebbende, een groothandel in bloemen en planten, heeft in haar btw-aangiften intracommunautaire (IC) leveringen aan een Hongaars bedrijf verantwoord en het nultarief gehanteerd. Naar aanleiding van een onderzoek van de Hongaarse autoriteiten heeft de inspecteur een boekenonderzoek ingesteld naar de juistheid van de door haar gedane aangiften voor de omzetbelasting over tijdvakken in de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2015. Lopende het onderzoek heeft de voorzieningenrechter aan de ontvanger verlof verleend voor het gevraagde bedrag (ad € 1.200.000) en heeft de ontvanger vervolgens conservatoir beslag gelegd op de banktegoeden van belanghebbende. Het verlof is verleend (conform het verzoekschrift) onder de voorwaarde dat belanghebbende in de gelegenheid zal worden gesteld op de voorgenomen aanslagen te reageren en de aanslagen binnen zes weken worden opgelegd. De inspecteur verstrekte aan belanghebbende een controle rapportage, maar legt zonder haar te horen de naheffingsaanslagen 2011 t/m 2012 op.

De ontvanger heeft de naheffingsaanslagen met toepassing van art. 10 van de Invorderingswet 1990 (IW) terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaard en de aanslagen twee dagen na de dagtekening aan belanghebbende uitgereikt. Het hof overwoog dat artikel 10 IW van toepassing was wegens de grond ‘vrees voor verduistering’.

Bij het hof lag de vraag voor of de inspecteur – door belanghebbende voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslagen niet de gelegenheid te bieden te reageren op elementen die daaraan ten grondslag liggen – het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel had geschonden. Het hof constateerde dat beperking van het unierechtelijk beginsel toelaatbaar is geweest. Ter onderbouwing wees het hof op het feit dat het (reeds) opgelegde conservatoire beslag niet meebracht dat er geen gronden waren voor de toepassing van artikel 10 IW. Het hof wees in dit verband ook op de voorwaarde gesteld door de voorzieningenrechter dat binnen zes weken de naheffingsaanslagen dienden te worden opgelegd en dat het onderzoek vertraging had opgelopen omdat informatie vanuit Bulgarije werd afgewacht.

De Hoge Raad casseert de uitspraak van het hof en overweegt dat met het conservatoire beslag de vrees voor verduistering vooralsnog was weggenomen. Daarbij merkt de Hoge Raad op dat de omstandigheid dat de inspecteur een boekenonderzoek nog niet heeft afgerond op zichzelf niet rechtvaardigt dat hij het recht van de desbetreffende belastingplichtige om voorafgaand aan het vaststellen van die belastingaanslag(en) te worden gehoord kan beperken. In deze zaak had de inspecteur ook zonder de nadere informatie uit Hongarije volgens de Hoge Raad genoeg informatie om belanghebbende te horen vóórdat de termijn waarvoor het conservatoire beslag was gelegd verstreek.

Het unierechtelijk verdedigingsbeginsel kan slechts tot vernietiging van de naheffingsaanslagen leiden als het horen van belanghebbende had kunnen leiden tot een andere afloop (het andere-afloopcriterium). De Hoge Raad verwijst naar de uitspraak van de rechtbank waarin is overwogen dat belanghebbende niet wist of had moeten weten dat er sprake was van btw fraude. Hieruit maakt de Hoge Raad op dat het besluitvormingsproces van de inspecteur zonder schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel een andere afloop had kunnen hebben.

De Hoge Raad doet de zaak zelf af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, waarin  de naheffingsaanslagen werden vernietigd.

Hoge Raad 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1053 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2023:1053)