Deze zaak betreft de vraag of belanghebbende in de jaren 2011 tot en met 2017 als fiscaal inwoner van Nederland en daarmee als binnenlands belastingplichtige kon worden aangemerkt. Belanghebbende had zich in 2000 uitgeschreven uit Nederland en zich gevestigd in Zwitserland. Voor de jaren 2011 tot en met 2017 deed hij aangifte als buitenlands belastingplichtige. De inspecteur stelde zich na een woonplaatsonderzoek op het standpunt dat de fiscale woonplaats van belanghebbende ook na 2000 in Nederland was gebleven en legde (navorderings)aanslagen op.
Het hof oordeelde dat belanghebbende gedurende de gehele periode 2011 tot en met 2017 naar nationaal recht inwoner van Nederland was. Daarbij achtte het hof van belang dat een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland was blijven bestaan. Het hof baseerde dit oordeel onder meer op een door de inspecteur opgesteld Excel-overzicht van verblijfdagen, waaruit volgens het hof volgde dat belanghebbende in de betreffende jaren het grootste deel van zijn tijd in Nederland verbleef. Daarnaast woog het hof mee dat belanghebbende gehuwd was gebleven met zijn echtgenote, dat hij bij verblijf in Nederland gebruik maakte van de woning van zijn echtgenote, dat zij gezamenlijk meerdere onroerende zaken in Nederland bezaten, dat hij beschikte over Nederlandse bankrekeningen, gebruik maakte van Nederlandse gezondheidszorg en Nederlandse postadressen hanteerde. Ook zijn Nederlandse nationaliteit werd door het hof in de beoordeling betrokken.
Vervolgens oordeelde het hof dat belanghebbende ook voor de toepassing van de belastingverdragen met Zwitserland als inwoner van Nederland moest worden aangemerkt. Volgens het hof lag het middelpunt van zijn levensbelangen in Nederland en moest belanghebbende in alle jaren als binnenlands belastingplichtige worden beschouwd en in Nederland belastingplichtig voor zijn wereldinkomen.
De Hoge Raad laat deze oordelen grotendeels in stand, maar constateert een gebrek in de motivering voor de periode vanaf medio 2016. Het hof had zijn oordeel mede gebaseerd op het door de inspecteur opgestelde Excel-overzicht van verblijfdagen. Dat overzicht bevatte echter uitsluitend gegevens tot 1 juli 2016. Voor de periode daarna waren geen gegevens verstrekt over het verblijf van belanghebbende in Nederland. De inspecteur had ter zitting bovendien verklaard dat hij voor 2017 geen vergelijkbaar overzicht had opgesteld en ook geen specifieke gegevens had gevonden over bijvoorbeeld zorggebruik in dat jaar.
Volgens de Hoge Raad is daarom zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk hoe het hof heeft kunnen oordelen dat belanghebbende ook vanaf medio 2016 het grootste deel van zijn tijd in Nederland verbleef. Aangezien het hof zijn oordeel over zowel de nationale woonplaats als de verdragswoonplaats mede op dat uitgangspunt had gebaseerd, is de uitspraak ontoereikend gemotiveerd voor de periode van 1 juli 2016 tot en met 31 december 2017. De Hoge Raad merkt daarbij uitdrukkelijk op dat de stelplicht en bewijslast op dit punt bij de inspecteur rusten. Anders dan de inspecteur bij het hof had betoogd, ligt het niet op de weg van belanghebbende om feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat de duurzame band met Nederland na medio 2016 is verbroken.
De Hoge Raad vernietigt de hofuitspraak uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de navorderingsaanslag 2016 en de aanslag 2017. Voor het overige falen de cassatieklachten onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. De zaak wordt verwezen naar Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor nader onderzoek naar de woonplaats van belanghebbende naar nationaal recht en voor de toepassing van het belastingverdrag met Zwitserland in de periode van 1 juli 2016 tot en met 31 december 2017. Voor die periode zal de inspecteur alsnog aannemelijk moeten maken dat sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland en, voor verdragsdoeleinden, dat Nederland het middelpunt van de levensbelangen vormde.
Op het eerste gezicht lijkt dit arrest niet veel meer dan een motiveringsarrest. Het hof baseerde zijn oordeel dat belanghebbende ook na medio 2016 inwoner van Nederland was mede op een overzicht van verblijfdagen dat slechts liep tot 1 juli 2016. Zonder nadere motivering valt dan niet in te zien hoe het hof heeft kunnen aannemen dat belanghebbende ook daarna het grootste deel van zijn tijd in Nederland verbleef. In zoverre is de vernietiging weinig verrassend.
Interessant is echter rov. 4.4.2. De Hoge Raad merkt daarin expliciet op dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de woonplaats op de inspecteur rusten. Anders dan de inspecteur had betoogd, ligt het dus niet op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat zijn duurzame band met Nederland na medio 2016 is verbroken.
Die overweging lijkt vanzelfsprekend, maar raakt een terugkerend spanningsveld in woonplaatsprocedures. Wanneer de inspecteur gedurende een reeks van jaren aannemelijk heeft gemaakt dat een belastingplichtige in Nederland woont, ontstaat al snel de neiging om van de belastingplichtige te verlangen dat hij vervolgens bewijst dat daarin verandering is gekomen.
De vraag rijst bovendien of deze bewijslastopmerking zonder meer geldt voor de verdragswoonplaats. Voor de nationale woonplaats staat voorop dat de inspecteur zich beroept op binnenlandse belastingplicht. Bij de verdragsvraag ligt dat minder eenvoudig. Indien vaststaat dat een belastingplichtige naar Nederlands recht inwoner is en hij zich vervolgens beroept op verdragsbescherming vanwege een woonplaats in de andere verdragsstaat, ligt het voor de hand dat hij de daarvoor relevante feiten aandraagt. In zoverre roept rov. 4.4.2 de vraag op hoe ver de door de Hoge Raad genoemde bewijslast van de inspecteur precies reikt.
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1287
