In deze zaak staat de vraag centraal of belanghebbende recht heeft op een hogere vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van zijn bezwaar en beroep tegen een belastingaanslag van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Rechtbank Amsterdam kende eerder een schadevergoeding van € 1.000 toe, uitgaande van een overschrijding van “bijna een jaar”. Belanghebbende stelde in cassatie dat de overschrijding in werkelijkheid een jaar en twaalf dagen bedroeg, afgerond naar boven dus met dertien maanden.
De Hoge Raad geeft belanghebbende hierin gelijk. De redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep in eerste aanleg bedraagt twee jaar. De Hoge Raad besliste dat de Rechtbank terecht ervan was uitgegaan dat een termijn van meer dan twee jaar in beginsel niet redelijk was voor de afdoening van het bezwaar en de berechting van de zaak in eerste aanleg. Daarbij moest worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het bezwaarschrift tot de datum waarop de rechter in eerste aanleg uitspraak deed. Gelet hierop was, anders dan de Rechtbank had vastgesteld, In dit geval verstreken tussen de ontvangst van het bezwaarschrift (11 augustus 2020) en de uitspraak van de rechtbank (23 augustus 2023) drie jaar en twaalf dagen, wat neerkomt op een overschrijding van dertien maanden. Met de geconstateerde termijnoverschrijding van dertien maanden, naar boven afgerond op anderhalf jaar – aangezien met immateriële schadevergoeding per half jaar wordt gerekend – correspondeert een schadevergoeding van € 1.500. De vergoeding bedraagt immers € 500 per halfjaar. Wij verwijzen in dat verband naar een eerder arrest van vorig jaar en van eerder dit jaar, HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853 en HR 15 januari 2025, ECLI:NL:HR:2024:1299. De Hoge Raad doet de zaak zelf af en verhoogt de schadevergoeding naar € 1.500.
Hoge Raad 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:971
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:971
