In een recent arrest stond de vraag centraal op welke wijze het hof de straf moet bepalen voor feiten die in hoger beroep niet meer aan zijn oordeel zijn onderworpen, wanneer in eerste aanleg één gezamenlijke hoofdstraf is opgelegd. In het bijzonder ging het om de toepassing van artikel 423 lid 4 Sv:

“Indien bij samenloop van meerdere feiten ééne hoofdstraf is uitgesproken en het hooger beroep slechts ingesteld is ten aanzien van een of meer dier feiten, wordt, in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het arrest de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.”

De verdachte is in eerste aanleg veroordeeld voor – kort gezegd – het medeplegen van het telen van een grote hoeveelheid hennep (feit 3) en het medeplegen van het aanwezig hebben van hennep (feit 5) tot één gevangenisstraf van zes maanden. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld, maar dat beroep is beperkt tot feit 3. Feit 5 ligt daarmee in hoger beroep niet meer inhoudelijk ter beoordeling voor.

Het hof veroordeelt de verdachte vervolgens voor feit 3 tot een gevangenisstraf van zes maanden. Daarnaast bepaalt het hof, met toepassing van artikel 423 lid 4 Sv, voor feit 5 een afzonderlijke gevangenisstraf van vijf weken.

In cassatie wordt geklaagd over deze wijze van strafbepaling. Het middel stelt dat het hof, door voor feit 3 opnieuw zes maanden op te leggen en daarnaast nog een straf voor feit 5 te bepalen, feitelijk tot een zwaardere straf komt dan de door de rechtbank opgelegde gezamenlijke hoofdstraf van zes maanden.

De Hoge Raad stelt het toepasselijke kader voorop. Indien bij samenloop van feiten door de rechtbank één hoofdstraf is opgelegd en het hoger beroep slechts is gericht tegen een of meer van die feiten, dient het hof in geval van vernietiging van de strafoplegging op grond van artikel 423 lid 4 Sv voor de overige feiten de straf te bepalen. Dit betekent dat het hof moet vaststellen welk gedeelte van de door de rechtbank opgelegde gezamenlijke hoofdstraf geacht moet worden te zien op het feit of de feiten die niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. Het hof staat niet vrij daarbij omstandigheden te betrekken die in eerste aanleg niet aan de orde zijn geweest.

De Hoge Raad benadrukt voorts het bijzondere karakter van deze strafbepaling. Het bepalen van de straf op grond van artikel 423 lid 4 Sv is geen strafoplegging in de zin van artikel 350 Sv, zodat de motiveringsvoorschriften van artikel 359 Sv daarop niet van toepassing zijn. In cassatie kan deze strafbepaling evenwel worden getoetst op begrijpelijkheid.

Tegen deze achtergrond acht de Hoge Raad de beslissing van het hof onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat de rechtbank voor feit 3 en feit 5 gezamenlijk één hoofdstraf van zes maanden heeft opgelegd. Het hof heeft voor feit 3 wederom een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd en daarnaast voor feit 5 een afzonderlijke straf van vijf weken bepaald. Daarmee lijkt het hof ervan uit te gaan dat de door de rechtbank opgelegde straf volledig aan feit 3 is toe te rekenen, waarna voor feit 5 nog een ‘additionele’ straf wordt vastgesteld.

Die benadering strookt niet met hetgeen artikel 423 lid 4 Sv verlangt. Deze bepaling beoogt niet een zelfstandige waardering van het niet aangevallen feit, maar een toerekening van (een deel van) de reeds opgelegde hoofdstraf aan dat feit. De door het hof gekozen constructie leidt ertoe dat de optelsom van de straf voor feit 3 en de strafbepaling voor feit 5 de oorspronkelijke hoofdstraf overschrijdt, zonder dat dit uit de motivering kan worden afgeleid.

Het cassatiemiddel slaagt derhalve. De Hoge Raad vernietigt het arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en de strafbepaling, en wijst de zaak terug naar het hof.
Het arrest verheldert daarmee de bepaling van artikel 423 lid 4 Sv. Het hof dient bij de strafbepaling aan te sluiten bij de door de eerste rechter opgelegde gezamenlijke straf en moet daarin als het ware “inlezen” welk deel daarvan betrekking heeft op de niet aangevallen feiten. Een zelfstandige, additionele straftoemeting is niet aan de orde.

Daarnaast volgt uit het arrest dat de rechter bij de toepassing van artikel 423 lid 4 Sv gebonden is aan de uitgangspunten van de eerste aanleg. Door de gehele straf toe te rekenen aan het wel aangevallen feit en daarbovenop opnieuw een straf te bepalen voor het overige feit, wordt de systematiek van de bepaling miskend. Het arrest onderstreept dat het beperken van het hoger beroep niet ertoe mag leiden dat via de constructie van artikel 423 lid 4 Sv alsnog een zwaarder strafresultaat ontstaat. In die zin fungeert de bepaling mede als waarborg tegen een verslechtering van de positie van de verdachte via de ‘achterdeur’.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:773