De Hoge Raad heeft nadere uitleg gegeven over hoe de redelijke termijn in strafzaken moet worden beoordeeld wanneer een verdachte tijdens een procesfase (gedeeltelijk) in voorlopige hechtenis zit. De beslissing beoogt een verfijning van het bestaande toetsingskader, zoals eerder geformuleerd in HR 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578), en introduceert een meer gedifferentieerde benadering afhankelijk van de duur van de vrijheidsbeneming.
Uitgangspunt blijft dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden indien tussen het aanvangsmoment (in casu: de inverzekeringstelling) en de einduitspraak meer dan twee jaren zijn verstreken. Indien de verdachte gedurende het grootste deel van deze periode in voorlopige hechtenis verkeert, geldt een verkorte richttermijn van zestien maanden. De Hoge Raad preciseert thans dat deze verkorte termijn uitsluitend van toepassing is indien de verdachte in een procesfase (eerste aanleg of hoger beroep) in totaal zestien maanden of langer in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Bij een kortere hechtenisduur blijft de termijn van twee jaar leidend, tenzij de verhouding tussen de periode van hechtenis en die van vrijheid anders noopt. Deze evenredigheidstoets laat zich niet in algemene regels vatten; de beoordeling is voorbehouden aan de feitenrechter en wordt in cassatie slechts marginaal getoetst.
De verdachte in deze zaak is veroordeeld wegens medeplegen van het namaken en verspreiden van valse munten (art. 209 jo. 47 Sr) en handelen in strijd met art. 26 lid 1 Wet wapens en munitie. Hof Amsterdam heeft een gevangenisstraf opgelegd van 27 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De feiten zijn onderzocht in het kader van het strafrechtelijk onderzoek “Monte Leone”, gericht op grootschalige handel in valse Britse munten. De verdachte is op 5 november 2013 in verzekering gesteld; de voorlopige hechtenis is op 18 december 2014 geschorst en op 23 oktober 2017 opgeheven. De rechtbank heeft op 6 juli 2018 uitspraak gedaan; het arrest van het hof volgde op 30 juni 2023. Daarmee is sprake van aanzienlijke doorlooptijden tussen de procesfasen.
Het tweede cassatiemiddel betoogde dat het hof ten onrechte uitging van een termijn van twee jaar voor berechting in eerste aanleg, nu de verdachte gedurende circa dertien maanden in voorlopige hechtenis verbleef. Volgens de verdediging diende de verkorte termijn van zestien maanden te gelden, hetgeen zou resulteren in een overschrijding van 32 maanden. De Hoge Raad verwerpt dit betoog. Gelet op het feit dat de verdachte minder dan zestien maanden in hechtenis zat en gedurende 42 van de 56 maanden tussen aanvang en einduitspraak in vrijheid verkeerde, acht de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de tweejaartermijn van toepassing is niet onbegrijpelijk. De overschrijding van die termijn leidt tot strafvermindering, doch de toetsing blijft beperkt tot een begrijpelijkheidstoets.
Voorts constateert de Hoge Raad dat ook in cassatie de redelijke termijn is overschreden. Dit resulteert in een strafreductie van 27 maanden naar 26 maanden en twee weken, met behoud van het voorwaardelijke deel en de proeftijd. Overige klachten behoeven geen nadere motivering (art. 81 lid 1 RO).
Dit arrest verduidelijkt dat bij een hechtenisduur van minder dan zestien maanden in beginsel de termijn van twee jaar geldt, tenzij de verhouding tussen hechtenis en vrijheid afwijking rechtvaardigt. De Hoge Raad benadrukt dat deze beoordeling casuïstisch is en in cassatie slechts marginaal wordt getoetst.
Hoge Raad 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1775
