Belanghebbende voerde silicium in uit Taiwan onder aldaar verkregen oorsprongcertificaten. De inspecteur betwiste de oorsprong en stelde dat er sprake was van niet-preferentiële Chinese oorsprong, en het silicium via Taiwan ongewijzigd is doorgevoerd naar Europa. Op de invoer van silicium uit China gold een antidumpingrecht en de inspecteur ging over tot naheffing.

In geschil is de oorsprong van het silicium. Het Hof oordeelde dat het niet aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat het product in Taiwan voldoende is bewerkt om Taiwanese oorsprong te verkrijgen. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het silicium van niet-preferentiële Chinese oorsprong is, en aldus rustte volgens het Hof op de inspecteur de bewijslast om aannemelijk te maken dat de goederen ongewijzigd zijn doorgevoerd dan wel onvoldoende zijn bewerkt om Taiwanese oorsprong te verkrijgen.

De Taiwanese verkoper had inmiddels haar activiteiten beëindigd waardoor onderzoek in de administratie door OLAF niet meer mogelijk was. Deze omstandigheid kwam voor rekening en risico van de inspecteur. De inspecteur slaagde er volgens het Hof desondanks in voor de meerderheid van de zendingen aan te tonen dat het silicium ongewijzigd is doorgevoerd naar Europa. Het gewicht van een deel van de zendingen van China naar Taiwan en van Taiwan naar Europa kwam dusdanig overeen dat het voor het Hof voldoende aannemelijk was dat deze ongewijzigd zijn doorgevoerd. Daarover had belanghebbende zich beklaagd in cassatie maar de Hoge Raad heeft dit oordeel van het Hof zonder nadere motivering bevestigd (art. 81 lid 1 RO).

Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:HR:2018:580

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:580