De Hoge Raad heeft op 24 juni 2025 het cassatieberoep verworpen in een strafzaak waarin de verdachte werd veroordeeld voor het witwassen van een geldbedrag van €8.870. De verdachte werd op Eindhoven Airport aangetroffen met een grote hoeveelheid contant geld, verdeeld over een schoudertas en een koffer. Het hof oordeelde dat deze omstandigheden een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen opleverden en dat van de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring mocht worden verlangd. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en achtte de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd.
Feiten
Op 9 juli 2020 werd de verdachte bij een securitycheck op Eindhoven Airport aangetroffen met €8.870 aan contant geld: €3.870 in een schoudertas en €5.000 in een koffer. De Koninklijke Marechaussee nam het geld in beslag, waarbij €160 werd teruggegeven. De verdachte kreeg veertien dagen om de herkomst van het geld aan te tonen. Uit onderzoek bleek dat de verdachte een beperkt inkomen had, lage banksaldi en geen aanwijzingen voor schenkingen of erfenissen. De verdachte verklaarde later dat €5.000 afkomstig was van een lening van zijn vriendin en dat hij de rest had gespaard uit loon en fooien.
Verweer
De verdediging stelde dat het geld een legale herkomst had en dat een criminele herkomst niet de enige aanvaardbare verklaring was. De verdachte gaf wisselende verklaringen over het doel van het geld (vakantie of autokoop) en kon geen concrete gegevens over het voertuig of de verkoper geven. De vriendin van de verdachte bevestigde de lening, maar de geldopnames vonden ruim een jaar eerder plaats en zij weigerde verdere toelichting. Het hof achtte deze verklaringen ongeloofwaardig en onvoldoende verifieerbaar.
Overwegingen van de AG en de Hoge Raad
De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad herhaalde dat voor een bewezenverklaring van witwassen niet vereist is dat het geld uit een specifiek misdrijf afkomstig is, maar dat het op basis van de omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het uit enig misdrijf komt. De HR oordeelde dat het hof terecht heeft aangenomen dat het witwasvermoeden gerechtvaardigd was en dat van de verdachte een plausibele verklaring mocht worden verlangd. De HR verwierp ook het beroep op Europese regelgeving inzake liquide middelen, omdat de verdachte de EU niet verliet en het bedrag onder de meldingsgrens van €10.000 lag. De redelijke termijn voor cassatie was overschreden, maar dit had geen gevolgen voor de uitspraak.
