De half Zwitserse echtgenoot van belanghebbende heeft samen met een zakenpartner een constructie opgezet die er op gericht was om fictieve opslagkosten af te trekken van de winst. Deze bedragen werden naar een ‘verzonnen’ onderneming overgemaakt. Vervolgens werden deze bedragen onderling verdeeld. Het bedrag dat uitgekeerd werd aan de echtgenoot van belanghebbende werd vervolgens overgemaakt naar een van hun gezamenlijke Zwitserse bankrekeningen bij de UBS. Belanghebbende en haar echtgenoot keren in voor de niet-verantwoorde USB-rekeningen. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben de inkomsten uit aanmerkelijk belang vanwege de betalingen niet in hun aangiften IB/PVV opgenomen. Dat de aanslagen van belanghebbende daardoor aanvankelijk tot te lage bedragen zijn vastgesteld, staat tussen partijen niet ter discussie. In hoger beroep bij Hof Amsterdam zijn alleen de vergrijpboeten in geschil en of sprake is van grove schuld bij belanghebbende.

Het hof stelt voorop dat de kennis of verwijtbaarheid van de echtgenoot niet (op grond van het partnerschap of anderszins) aan belanghebbende kan worden toegerekend. Verder volgt het hof niet het oordeel van de rechtbank dat de stelling van belanghebbende, dat zij geen weet had van het bestaan van dividenduitkeringen, ongeloofwaardig is. Belanghebbende heeft dat namelijk niet gesteld, zij heeft alleen het standpunt ingenomen dat er onvoldoende bewijs is dat zij het wist en dat eventuele kennis van de echtgenoot haar niet toegerekend kan worden. Ook belanghebbendes rol bij het latere wijzigen van de verdeling van de inkomsten, wat daar ook van zij, speelt bij deze boeten geen rol. Het gaat in dezen om de vraag of bij belanghebbende zelf grove schuld aanwezig is met betrekking tot de omstandigheid dat aanvankelijk te weinig belasting bij haar is geheven ter zake van de uit de derde onderneming afkomstige gelden.

Belanghebbende was samen met haar echtgenoot aanmerkelijk belanghouder in hun B.V. Verder staat vast dat het haar echtgenoot was die uit hoofde van zijn aandeelhouderschap samen met de zakenpartner betrokken was bij het opzetten van de werkwijze met valse facturen van de verzonnen onderneming. Dat belanghebbende hierbij enige actieve rol heeft gehad, is nergens uit af te leiden en is overigens ook niet gesteld. Dat er grote geldbedragen afkomstig waren van de deze onderneming en dat die via de Zwitserse coderekening van de echtgenoot naar de gezamenlijke rekening van belanghebbende en haar echtgenoot vloeiden, is niet voldoende voor de conclusie dat belanghebbende ernstig nalatig is geweest of anderszins een ernstig verwijt valt te maken ter zake van het niet aangeven van de aanmerkelijk belang inkomsten. Over de inkomsten van de echtgenoot is niets bekend zodat de stelling van de inspecteur dat de gelden geen netto inkomen (loon) van de echtgenoot konden zijn niet door feiten gedragen wordt. Ook als die conclusie wel getrokken zou kunnen worden, is daarmee nog geen signaal gegeven over de aard van de betalingen. Belanghebbende kan wellicht worden verweten dat zij heeft nagelaten zich af te vragen of de gelden op enigerlei wijze in haar aangiften verantwoord hadden moeten worden, maar dat is onvoldoende om haar het ernstig verwijt van grove schuld te maken.

Ook als daarbij in aanmerking wordt genomen dat belanghebbende wist dat de gelden aan privéuitgaven zijn besteed, rechtvaardigt de besteding van bedragen aan privédoeleinden op geen enkele wijze de gevolgtrekking dat het om (verzwegen) inkomsten kon of moest gaan. En ook de omstandigheid dat de inkomsten werden ontvangen op de gezamenlijke rekening die de echtgenoten niet in de aangifte als box 3 vermogen hebben verantwoord, leidt, noch op zichzelf, noch in samenhang met de besteding van die inkomsten, tot de conclusie dat sprake is van grove schuld bij belanghebbende, omdat het verzwijgen van een bankrekening evenmin iets zegt over de aard van de inkomsten die erop gestort werden. De feiten en omstandigheden die wel buiten redelijke twijfel vast staan, leiden dan ook niet tot het oordeel dat belanghebbende grofschuldig kan worden verweten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven.

Het hof verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de vergrijpboeten.

Hof Amsterdam 11 januari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1176

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:1176